Your browser version is outdated. We recommend that you update your browser to the latest version.

EEN PSYCHOLOGISCHE ANALYSE VAN ARMOEDE

 

                                                                                                                          Guido Cuyvers

 

 

Een sociaal-cognitieve benadering van armoede

 

De problematiek van de armoede heeft psychologen, in tegenstelling tot de andere menswetenschappers, totnogtoe nauwelijks bezig gehouden; getuige daarvan het gebrek aan literatuur over dit onderwerp. Dat is merkwaardig, zeker als we bedenken  hoeveel psychologische literatuur er over vrijwel elk ander onderwerp ter beschikking staat. Toch laat het bestaande arsenaal van psychologische inzichten ons toe om heel wat aspecten van de armoede te verduidelijken.  Echte psychologische verklaringen die een inzicht in oorzaak en gevolg geven, zijn tot nog toe niet ontwikkeld. Een psychologische benadering draagt overigens het risico in zich om een problematiek  te individualiseren, door bijvoorbeeld enkel persoonlijkheidskenmerken verantwoordelijk te stellen voor de situatie van armen. Vaak leidt dergelijke benadering tot een soort blameren van het slachtoffer: het slachtoffer zal wel mede de oorzaak zijn van zijn situatie. De arme zal het wel aan zichzelf  te danken hebben dat hij zich in die situatie bevindt, is dan de redenering. Persoonlijkheidskenmerken zijn dan een alibi om de armoede te verklaren. Dergelijke beschouwingen zijn evenwel onproductief en zijn koren op de molen van het individueel schuldmodel: ze helpen de armen immers niet vooruit en brengen de anderen, de niet-armen,  niet tot een beter inzicht in de situatie. Het verantwoordt volgens Vranken hoogstens een disciplinerend optreden(1997). We beschouwen armoede als een structureel gegeven. Ze is mede het gevolg van de inrichting van de samenleving, zowel op economisch, sociaal als cultureel vlak. Een verklaring van armoede  mag daarom niet uitsluitend gezocht worden in kenmerken, houdingen of gedragingen van de arme  bevolkingslagen. Individuele achterstand, gebrek aan voorzorgen, persoonlijke tekortkomingen, luiheid, leegloperij, alcoholisme enz zijn op geen enkel moment een voldoende verklaring voor het verschijnsel armoede binnen een samenleving, aldus Delanghe (1997). Een psychologische analyse los van een brede maatschappelijke duiding loopt het risico armoede te individualiserend te benaderen en dus het individueel schuldmodel te bevestigen.

 

In dit artikel hanteren we een sociaal-cognitieve benadering. Dat betekent dat we het gedrag van armen trachten te verduidelijken vanuit hun interacties met hun omgeving. In onze opvatting zijn ze niet alleen maar het slachtoffer van hun situatie; hun gedrag is doelgericht en het gevolg van de betekenis die ze geven aan wat ze meemaken. Niet de situatie op zich  bepaalt hoe zij zich gedragen, maar wel de beleving ervan. Belangrijk is nog dat de persoon, met zijn typische kenmerken, niet onbevangen in de interactie staat met zijn situatie. Hij benadert die situatie steeds en noodzakelijk door de bril van verschillende betekeniskaders. Dat zijn subjectieve overtuigingen die de persoon gaandeweg heeft opgebouwd op basis van opvoeding en ervaringen. Het kan gaan over overtuigingen over zichzelf ( zelfbeeld), over de andere mensen (het mensbeeld) en over de wereld waarin ze zich bewegen (het maatschappijbeeld). Het gedrag is vervolgens een poging om de problemen in hun situatie op te lossen. Hun gedrag  is de uiting van pogingen om met de beperkingen van hun situatie toch een zinvol  leven op te bouwen. Een belangrijke dimensie van die interactie is de motivatie. Motivatie slaat immers zowel op het doel dat de persoon in de situatie wil realiseren als op de processen die nodig zijn om dat doel te bereiken. We schematiseren onze benadering in onderstaande figuur.

 

Figuuur   De arme in interactie met zijn situatie

 

 

 

                                                          Betekenisgeving

 
   

 


                                              

       
     
   
 

 

 


   PERSOON

            +

betekeniskaders

 

 

              interactie

 

 

                                                                 

 

 

 
   

 

 

 


                                                      Doelgericht handelen

                                                               Coping

 

 

In dit artikel bespreken we achtereenvolgens de verschillende aspecten van dit schema.

Er bestaat natuurlijk geen tekort aan psychologische variabelen waarmee we naar het fenomeen armoede kunnen kijken. Uiteraard werden die variabelen niet ontwikkeld om specifiek de armoede te beschrijven, maar wel om het sociaal gedrag in het algemeen te onderzoeken. Om de interactie van de arme met zijn omgeving en zijn beleving daarvan te verduidelijken, hanteren we in dit artikel achtereenvolgens de attributiebenadering, het tijdsperspectief, de prestatiebehoefte, de basisovertuigingen en het zelfbeeld. Een dergelijke breed gerichte analyse is noodzakelijk omdat de armoede meervoudig is. Ze is een maatschappelijke achterstelling op vele gebieden zodat heel wat factoren interageren: laag inkomen, lage scholing, geen of onstabiel werk, gebroken gezinsrelaties, sociaal isolement, thuisloosheid, geringe taalvaardigheden, fatalistische levenshouding, korte-termijnperspectief  en nog veel meer.

 

In deze inleiding moeten we ook nog aandacht  hebben voor de gradaties in de  armoede. De kenmerken en mechanismen die we zullen beschrijven, blijken immers sterker aanwezig te zijn, naarmate de armoede groter is. Er bestaan verschillende gradaties in armoede. Voor ons doel is de driedeling van Delanghe bruikbaar (1991). Hij spreekt van  gemarginaliseerden, nieuwe armen en generatie-armen. We lichten deze types kort toe.

-        Gemarginaliseerden zijn mensen die niet noodzakelijk generatie-arm of financieel behoeftig zijn, maar die omwille van een afwijkend gedrag, kenmerk of situatie in de samenleving gemarginaliseerd worden. Voorbeelden zijn alcoholisten, ex-gedetineerden, ex-psychiatrische patiënten, druggebruikers enz. Zij zijn dus vooral maatschappelijk achtergesteld.

-        Nieuwe armen of crisisarmen zijn mensen die als gevolg van de economische crisis met financiële problemen te kampen hebben, waardoor ze steeds minder aan het maatschappelijk leven kunnen deelnemen. Hoe langer deze armoede duurt, hoe groter wordt de kans dat ze de  generatie-armen vervoegen.

-        Generatie-armen zijn mensen die sedert ettelijke generaties uitgesloten zijn. Ze erven de armoede over. Ze leveren een overlevingsstrijd op de essentiële levensgebieden zoals wonen, onderwijs, arbeid, sociale relatiepatronen. De langdurige armoede heeft geleid tot een fatalisme waardoor juist zij niet meer motiveerbaar zijn voor de klassieke  hulpverleningsinitiatieven.


De gevolgen van de armoedesituatie op de persoonlijkheid van de armen

 

De interactie van mensen met hun situatie laat hen niet onberoerd. Elke situatie tekent ook mee de persoon. Het kan dan ook niet anders dan dat leven in een armoedesituatie invloeden zal hebben op de persoonlijkheid van de armen. We willen vermijden om in de kortzichtigheid van het schuldmodel te stappen. Dat model verklaart de armoede vanuit de persoonlijkheid van de armen. Mensen zijn volgens dat soort denken  arm omdat ze zwak, lui enz zijn  Vanuit een interactionele benadering is de beïnvloeding tussen persoon en context  wederzijds.   De armoede tekent de persoonlijkheid en met die persoonlijkheid gaan armen hun situatie op een bepaalde manier te lijf.

 

De mentale en psychische gezondheid van armen blijkt doorgaans slechter te zijn dan die van de doorsneebevolking zowel bij kinderen als bij volwassenen. Dat uit zich in langdurige ziekte, groter ziekteverzuim op het werk, het meer optreden van ziektes als tuberculose, diabetes, griep, longontsteking en bronchitis, het voortijdig verlies van tanden en pogingen tot zelfdoding. Op het vlak van de psychische gezondheid geven epidemiologische studies aan dat er zich meer psychische stoornissen bij armen voordoen zoals stress en depressie. Die zorgen er dan weer voor dat de betrokken armen niet meer beroepsmatig en sociaal kunnen functioneren wat hun moeilijke situatie nog uitzichtlozer maakt. Deze mensen meer onderhevig zijn aan stress. Dat heeft te maken met het feit dat ze veel harder moeten knokken om economisch en sociaal te  overleven en met veel meer moeilijkheden geconfronteerd worden dan de doorsneebevolking. Depressie hangt nauw samen met de beleving van uitzichtloosheid van een situatie en gaat steeds gepaard met het risico van zelfdoding.

 

Vervolgens blijkt het taalgebruik van armen weinig aan te sluiten bij de gebruikelijke taal van de hulpverleners, van de openbare diensten en van mensen uit andere sociale klassen. De woordenschat waarmee ze hun ervaringen en gevoelens communiceren verschilt sterk van die van de andere groepen. Als hulpverleners bijvoorbeeld niet leren denken en spreken in de taal van de armen onstaat er een kloof. De anderen hebben te vaak de neiging om die kloof te interpreteren als het gevolg van een gebrek aan de kant van de armen. Daarbij houden ze geen rekening met de context waarin de taal functioneert. In de persoonlijke en familiale context van de armen zelf laat die taal immers wel doeltreffende communicatie toe.

 

Eén van de meest simplistische en vaak gebruikte verklaringen van armoede is hun gebrek aan ijver: ze zouden minder werken dan andere groepen in de samenleving. Toch geeft onderzoek aan dat deze mensen even sterk op arbeid georiënteerd zijn als de niet-armen. Ook hun houding tegenover familiaal leven en tegenover politiek zou volgens Brits onderzoek niet significant verschillen van andere groepen.

 

Tenslotte krijgen persoonlijkheidskenmerken pas een betekenis in een  bepaalde maatschappelijke context. Kenmerken die in één milieu een troef zouden kunnen zijn, zijn in een arme omgeving soms een nadeel. Doorzettingsvermogen en vindingrijkheid kunnen positieve eigenschappen zijn die de persoon helpen om een eigen plaats te bereiken op voorwaarde dat hij over sociaal aanvaarde middelen beschikt. Indien een arme geen toegang tot  die middelen heeft, kunnen die eigenschappen hem tot criminaliteit brengen.

 

 

 

De betekenisgeving door armen

 

De attributietheorie biedt voldoende aangrijpingspunten om te verduidelijken hoe armen, anders dan de anderen, kenmerken en oorzaken toeschrijven aan hun eigen situatie. Ook hier is het nodig om te benadrukken dat het hun armoedesituatie is die hen ertoe brengt  andere kenmerken en oorzaken toe te schrijven aan datgene wat ze ervaren. Zo is het bijvoorbeeld belangrijk om te beseffen dat de vele armen geen sfeer gekend hebben waarin affectiviteit kon gedijen. Ze hadden geen warm gezin thuis, geen veilige relatie die een veilige haven is van waaruit ze naar de wereld toe kunnen stappen. De attributietheorie gaat ervan uit dat elke mens behoefte heeft aan zekerheid en wil begrijpen wat hij meemaakt. Toch komt iedereen wel eens in situaties terecht die nieuw en vreemd zijn of ontmoet hij mensen die hem totaal onbekend zijn. Dan is het bijzonder moeilijk om zeker te zijn over wat gaat komen. In dergelijke situatie creëert de persoon zelf zekerheid door aan de andere personen kenmerken en aan hun gedrag oorzaken toe te schrijven. Dat toeschrijvingsproces geeft aanleiding tot veel fouten.  Wel heeft dat als voordeel  dat de persoon zich zeker voelt. Uit onderzoek is gebleken dat mensen vaak op een stereotype manier attribueren. Dat betekent concreet dat ze te pas en te onpas op dezelfde manier te werk gaan en dus een soort attributiestijl hanteren. Armen die een dagelijkse strijd moeten leveren om te overleven, attribueren hun situatie en hun ervaringen op een eigen wijze. Ze zien hun situatie immers als het gevolg van externe oorzaken die stabiel zijn en waarop zij zelf geen greep hebben. Ze beschouwen zich dan als slachtoffer van  krachten in de samenleving waar ze  toch niet tegenop kunnen. Ze concretiseren dat gevoel door een dichotomisch wereldbeeld te hanteren: wij, de slachtoffers, tegenover de rest, al de anderen die hen niet moeten hebben. Verder schrijven  ze mislukkingen bij wat ze ondernemen, mede toe aan hun eigen onbekwaamheid. Succes zijn ze dan weer geneigd eerder aan toeval of geluk te wijten. Daarbij idealiseren ze het geluk van de anderen. Andere gezinnen, andere relaties, andere opvoeding, alles wat anders is beschouwen ze als ideaal. In hun ogen mislukken de anderen nooit, en zijzelf altijd. Dergelijke stijl houdt het risico in dat ze  bij de pakken gaan neerzitten en niet meer geloven dat het voor hen nog ooit anders kan worden. Dat kan dan weer leiden tot depressie.

 

Waarom vele armen die stijl hanteren kunnen we deels verklaren vanuit hun levensgeschiedenis. In het eigen milieu leren ze uit de informatie van volwassenen dat  ze aan hun situatie niets kunnen veranderen, omdat de omstandigheden toch altijd sterker zijn. Daardoor richten ze hun inspanningen vooral op het overleven in hun situatie. Ouders stellen modelgedrag en bieden hen verklaringen van hun werkelijkheid die ze, aan zichzelf overgelaten, gemakkelijk overnemen. Kinderen leren bijgevolg in arme gezinnen door het model van de ouders na te bootsen. Die attributiestijl is op termijn nefast, omdat hij ertoe bijdraagt dat de armen zich neerleggen bij hun onmacht om greep te krijgen op bepaalde maatschappelijke hefbomen die hen zouden kunnen helpen om uit de armoede te komen.  Toch is niet alleen het gezin verantwoordelijk. Ook de wereld buiten het gezin speelt een belangrijk rol vermits die de armoede en sociale uitsluiting bestendigt. Andere maatschappelijke instituties als school, buurt, arbeidsplaats zorgen evenzeer voor de reproductie van de armoede en voor het doorgeven van interpretaties. Volgens Vranken  fungeert het gezin hier eerder als vertaalbureau van die andere instituties en niet zozeer als een autonome institutie.

 

Niet alleen uit modelgedrag van anderen, maar ook uit eigen ervaringen kunnen armen concluderen dat hun inspanningen zinloos zijn. In dat geval ervaren ze bij herhaling dat hun pogingen om een probleem op te lossen mislukken. Aanvankelijk schrijven ze misschien de oorzaken van dat mislukken nog aan zichzelf toe, in de zin van: 'Indien ik beter mijn best gedaan had, zou het mij wel gelukt zijn.’ Herhaalde mislukkingen in dezelfde situatie dwingen hen te aanvaarden dat hun inspanningen niets opleveren; ze  blijven toch mislukken. De omgeving is bijgevolg sterker  dan zijzelf. Die conclusie geeft aanleiding tot de zogenaamde aangeleerde hulpeloosheid. Uit de ervaringen leren ze dat ze hulpeloos zijn tegenover de buitenwereld. Die ervaring leidt bij een aantal mensen tot depressie en bij velen tot het opgeven van pogingen om de eigen situatie te veranderen. Het resultaat kan dan zijn dat ze vervallen in schadelijk gedrag. Zo zegt een arme vrouw: ‘Mijn leven doet teveel pijn.’ De armoede kan iemand zo erg kwetsen, dat hij gedragingen stelt die anderen negatief beoordelen, zoals drinken, roken, zelfdoding. Die gedragingen zijn dan een poging om de pijn te verzachten en de miserie te vergeten.

 

Het is zinvol om op het fenomeen van de fundamentele attributiefout te wijzen. Psychologen stellen vast dat mensen voortdurend de neiging hebben om hun wereldbeeld te vormen in functie van de mensen waarmee ze vertrouwd zijn, de wij-groep, en de anderen, de vreemden, de zij-groep. We wezen er reeds op hoe sterk armen vasthouden aan die dichotomie. Merkwaardig is dat mensen doorgaans geneigd zijn om mislukking en negatieve toestanden die ze bij de anderen waarnemen overwegend intern te attribueren: de anderen zijn zelf verantwoordelijk voor de negatieve situatie. Dezelfde situatie bij leden van de eigen groep attribueert men extern: men heeft tegenslag gehad, het ligt aan de samenleving enz. Omgekeerd wordt succes bij de anderen extern (ze hebben geluk gehad) geattribueerd en bij de eigen groep intern (het is aan de eigen kwaliteiten te danken). Veel verwijten en onbegrip bij de man in de straat aan het adres van armen zijn te begrijpen als een uiting van de fundamentele attributiefout. Het schadelijke effect van die verwijten is dat de armen die op zichzelf gaan toepassen. Ze kijken door de ogen van de anderen naar zichzelf. ‘Ze zeggen van ons dat we lui zijn, enz.; dus zal dat ook wel zo zijn.’

 

 

Een beperkt tijdsperspectief

 

Armen blijken nogal eens, tot ongenoegen van anderen, over te gaan tot impulsaankopen. Dat betekent dat ze vrij impulsief zaken kopen die niet per se van fundamenteel belang zijn en die hen vaak nadien in moeilijkheden brengen. Blijkbaar hebben ze het moeilijk bij het besteden van hun geld om rekening te houden met de dag van morgen. Zijzelf spreken van ‘koopwoede’, wat betekent: op momenten dat ze over geld beschikken kopen ze veel, vaak teveel; voor hen is dat een gelegenheid om te zijn zoals de anderen. Door te bezitten wat de anderen hebben, zijn ze zoals de anderen. Het bezit vormt immers een deel van hun identiteit. Ze hebben geleerd om hun tijdsperspectief te beperken. Dat is voor hen immers een strategie om te overleven met een minimum van goed gevoel. Daarom streven deze mensen vaak onmiddellijke bevrediging na. Ze hebben het moeilijk om  te weerstaan aan allerlei prikkels van buitenaf die hen behoeftig maken. Wanneer iemand hen bijvoorbeeld een kleurentelevisie aanprijst, reageren ze daar anders op dan wat hulpverleners of de samenleving gepast vinden. Uiteraard kan de aankoop van dat toestel hen snel in de problemen brengen; ze moeten bijvoorbeeld weldra nog andere, belangrijke rekeningen betalen; ze gaan ook gemakkelijk een nieuwe lening aan wat hun situatie nog uitzichtlozer maakt. Vanuit hun eigen perspectief evenwel ervaren ze het zelf vaak  niet als zinvol om met de aankoop te wachten.  Bij dat alles komt overigens nog dat ze zelden van jongsaf geleerd hebben om met geld om te gaan. Velen hebben immers hun kindertijd en jeugd in instellingen doorgebracht, waar ze geen geld hadden. Ze kregen daar bijgevolg ook niet de kans om op een goede manier  met geld te leren omgaan.

De wil om te presteren

 

De behoefte van armen om op maatschappelijk belangrijk geachte domeinen te presteren, blijkt vaak zwak te zijn. Prestatiemotivatie is alleen van belang in situaties waarin de persoon moet presteren op een bepaald niveau. Dat is bijvoorbeeld het geval in het onderwijs en in de arbeidssituatie. Maar ook in het ontspanningleven kan iemand gemotiveerd zijn om te presteren. Denk maar aan de atleet die zijn record wil verbeteren. In andere situaties speelt deze vorm van motivatie geen rol. De prestatiemotivatie van armen voor activiteiten die maatschappelijk als zinvolle prestaties beschouwd worden, blijkt lager te zijn dan die van de doorsnee bevolking. Hier moeten we onmiddellijk aan toevoegen dat ze misschien sterker presteren op andere terreinen zoals gastvrijheid of solidariteit. Naarmate iemand hoger staat op de sociale ladder blijkt de kans om sterker prestatiegemotiveerd te zijn toe te nemen. Een verklaring daarvoor is dat de prestatiebehoefte, die één van de wezenlijke elementen van de prestatiemotivatie is, bij hen minder sterk ontwikkeld is. Als kind leert men immers aangename gevoelens te ervaren bij succes en negatieve gevoelens bij mislukking. Uiteraard speelt het eigen milieu een belangrijke rol in de sterkte van de prestatiebehoefte. Op het moment dat de persoon voor een prestatie staat, wordt die prestatiebehoefte actief en noemen we de persoon prestatiegemotiveerd.  Die motivatie bevat tegelijk twee tegengestelde tendenzen. Enerzijds is er de positieve tendens om succes na te streven en anderzijds de negatieve tendens om mislukking te vermijden. Bij elke prestatietaak worden beide tendenzen geactiveerd. Of een persoon aan de taak zal beginnen is afhankelijk van welke tendens overheerst. Indien de tendens om succes na te streven het sterkst is, zal de persoon aan de taak beginnen. Indien evenwel de schrik om te mislukken overheerst, zal de persoon er niet aan beginnen.  Blijkbaar is dat laatste bij armen meer het geval dan bij anderen, voor zover het gaat om prestaties die door andere sociale groepen als belangrijk beschouwd worden. Toch laten die prestaties hen niet ongevoelig. Typisch voor hen is dat ze elke fout op die terreinen ervaren als een totale mislukking. Dat geldt sterker naarmate de persoon armer is. Ze maken daarbij niet het onderscheid tussen mislukken in deze ene taak en als persoon in het geheel mislukt zijn. Ze vinden dat ze in elke prestatie moeten lukken. Mislukking leidt tot een geweldige spanning. Het gevolg daarvan is dat elk contact met anderen van hen een zware inspanning vraagt, want ze moeten in elk geval lukken. Naarmate de persoon armer is, zal hij een mislukking meer ervaren als een totale mislukking.

Een vraag blijft hier nog wel welk  de relatie is tussen armoede en prestatiemotivatie: leidt armoede ertoe dat mensen een lagere prestatiemotivatie ontwikkelen of zijn het mensen met een lage prestatiemotivatie die gemakkelijker in armoede terechtkomen?  We moeten hier aan toevoegen dat de prestatiemotivatie niet de enige factor is die bepaalt of iemand aan een prestatietaak begint. Het is best mogelijk dat iemand zonder prestatiemotivatie toch aan de taak begint omwille van dreiging van de omgeving of omdat hij geld nodig heeft.  Bovendien blijft het de vraag in welke mate andere factoren bemiddelen tussen armoede en prestatiemotivatie; tot dergelijke factoren kunnen bijvoorbeeld intelligentie behoren, of maatschappelijke macht, of socialisatie. Parek toonde een aantal gevolgen van de lage prestatiemotivatie aan: mensen met een lage prestatiemotivatie durven weinig risico’s nemen omdat ze ervan overtuigd zijn dat alles een kwestie is van geluk of tegenslag; daarover heeft men volgens hen overigens weinig controle. Daardoor nemen ze nauwelijks initiatieven en doen ze weinig of niets om hun situatie te veranderen en beperken ze zich tot overlevingsstrategieën.

 

 


Zelfbeeld en zelfperceptie

 

Eén van de opvallende kenmerken van vele armen is dat ze nauwelijks in zichzelf geloven. Ze koppelen een negatief zelfbeeld aan een lage zelfwaardering. Dat zelfbeeld is een belangrijke factor die hen mede vasthoudt in de armoede; misschien is het zelfs verantwoordelijk voor het ontstaan ervan. Het zelfbeeld kunnen we omschrijven als een pakket betekenissen die de persoon over zichzelf opgebouwd heeft en voortdurend verder ontwikkelt. De term beeld suggereert dat het gaat om een samenhangende en statische visie van de persoon over zichzelf. Niets is minder waar. De persoon kan in verschillende situaties verschillende betekenissen aan zichzelf geven. Die betekenissen kunnen zelfs tegenstrijdig zijn, al hoeft de persoon zich van die tegenstrijdigheden niet bewust te zijn, omdat ze zich voordoen in verschillende situaties. Het zelfbeeld houdt ook een beoordeling in van zichzelf, de zelfevaluatie. Uit de zelfevaluatie vloeit voort of de persoon zich positief of negatief waardeert.   In het ontstaan en de ontwikkeling van het zelfbeeld en van de zelfwaardering spelen anderen een belangrijke rol. De informatie die de anderen verbaal én non-verbaal aan de persoon doorgeven, bepaalt in sterke mate hoe die zichzelf beleeft. De persoon verinnerlijkt die externe beoordeling; ze wordt dan het eigen oordeel over zichzelf. Mensen denken over zichzelf zoals over hen gedacht wordt. Toegepast op armen betekent dat het volgende: een samenleving die armen niet integreert geeft een duidelijke boodschap: ‘Jullie zijn minder en horen er niet bij.’ Net als iedereen verinnerlijken ook armen dergelijke beoordeling. Het zijn de omstandigheden, zoals de (ver)oordel(ing)en van anderen die gemakkelijker aanleiding geven tot de ontwikkeling van een negatief zelfbeeld, zeker voor wat betreft het maatschappelijk functioneren.  Het probleem is dat het zelfbeeld vervolgens functioneert als een filter die alleen nog informatie doorlaat die overeenstemt met het zelfbeeld dat de persoon al heeft. Tegenstrijdige informatie wordt niet toegelaten. Concreet betekent dat dat  iemand met een negatief zelfbeeld enkel informatie accepteert die dat negatieve zelfbeeld bevestigt. Positieve informatie aanvaardt de persoon niet omdat die tot onzekerheid zou leiden, die dan weer spanning op zou roepen. Voor armen is het dus psychologisch veiliger om vast te houden aan het negatieve zelfbeeld dan om ook positieve informatie over zichzelf te aanvaarden.

Tenslotte wijzen we nog op de betekenis die justititie heeft voor deze mensen. Het gerecht werkt bij hen blijkbaar als een rode lap op een stier. Als het gerecht één van hun kinderen in een instelling plaatst, beleven ze dat als een openbare instantie die hen in naam van de gemeenschap afwijst. Dat  is dan de juridische bevestiging van hun negatief zelfbeeld.

In het jaarboek over armoede van 1997 wordt een pleidooi gehouden om de zelfperceptie van de armen au serieux te nemen. Zo zou die zelfperceptie als één van de indicatoren voor een geïntegreerde armoede-index kunnen gehanteerd worden. De eigen inschatting van de armen zal immers vertrekken vanuit vele relevante levensdomeinen: inkomenhoogte, bestedingen, woonomstandigheden, verwachtingen en zelfbeeld. Ze herkennen die verschillende onderdelen niet afzonderlijk, maar hebben die als het ware verwerkt en geïntegreerd.

 

 

Copinggedrag

 

Armen blijken zich meer afhankelijk op te stellen van bijvoorbeeld welzijns- en gezondheidsvoorzieningen. Hun mindere kansen op scholing en de ontwikkeling van beroepsmatige vaardigheden spelen daarbij een rol; de werkloosheid is daarvan het gevolg. Ook probleemgedrag als drankmisbruik, promiscuïteit, huwelijksconflicten maakt hen afhankelijk van welzijnsdiensten. Omdat die hulp eenzijdig is, kan de arme niets in ruil teruggeven en komt hij in een positie van ‘verschuldiging’ terecht: van hem of haar wordt dankbaarheid verwacht (Vranken, 1997). Dat leidt dan weer tot nieuwe afhankelijkheid en nieuwe machteloosheid. Hun zorgafhankelijkheid is een structureel gegeven. Voor het verbeteren van hun situatie moeten ze willens nillens terugvallen op wat anderen voor hen willen afdwingen of wat die hen wensen te geven.

Onze stelling is dat zowel het afhankelijk zijn als het probleemgedrag van armen, ook al is dat afkeurenswaardig in de ogen van de anderen, een doelgericht antwoord is op de beleving van hun situatie. Hun gedrag wordt ook wel eens omschreven  als ‘copinggedrag’, strategieën om in een bedreigende situatie te overleven. Zo kan drank een rol spelen in het verwerken van de pijnlijke confrontatie met de andere wereld. Het niet gaan werken kan als betekenis hebben dat mensen weigeren te gaan werken om een nog groter verlies van eigenwaarde te vermijden indien ze zouden ontslagen worden. De fundamentele betekenis ervan is echter dat dit gedrag hen helpt om de vernietiging van het zelfbeeld en het gevoel van eigenwaarde  te beletten. Dit in de ogen van de anderen negatief gedrag wordt door de goegemeente vaak beschouwd als de oorzaak van de armoede, maar is enkel maar het gevolg ervan. Het zijn hun geschiedenis en hun maatschappelijke positie die meebrengen dat hun motivatie om van de klassieke hulpverleningsmogelijkheden  gebruik te maken, vaak zwak is.

 

 

Tot slot

 

De realiteit van de armoede dient zich aan als een veelzijdige caleidoscoop die veel complexer is dan een wetenschappelijk analyse model kan bevatten.  Om greep te krijgen op die werkelijkheid beperken wetenschappers zich in hun onderzoek noodgedwongen tot het focussen van bepaalde aspecten. In dit artikel hebben we een poging gedaan om via een geïntegreerde benadering de concrete situatie van de armen en de wetenschap dichter bij elkaar te brengen.  Hopelijk kan dit model wetenschappelijke psychologen inspireren om hun bijdrage te leven aan  het onderzoek van de armoede. Misschien kunnen ze zodoende alsnog op hun beurt de vraag van de Nederlandse emeritus-psycholoog Nico Frijda positief beantwoorden. Aan het einde van zijn zeer verdienstelijke wetenschappelijke loopbaan vroeg hij zich immers  af: ‘ Heeft de psychologie wel zin?’  Zijn eigen antwoord luidde: ‘De psychologie heeft zin : ze levert een bijdrage tot de waarheid, ze levert een bijdrage tot de instandhouding van de menselijke waardigheid en ze levert een bijdrage tot de compassie.’(1993)

 


LITERATUUR

 

 

Het is onmogelijk om alle literatuur waarop onze benadering gebaseerd is te vermelden. Vaak zijn het immers inzichten die gegroeid zijn op basis van vele jaren met psychologie bezig te zijn en kennis te nemen van de bijdragen van veel en diverse auteurs. We beperken ons daarom tot drie werken die zeer specifiek over armoede gaan.

 

Graag vermelden  we Karel Staes die vanuit zijn ervaringen in centrum Kouwenberg te Antwerpen suggesties formuleerde bij deze tekst.

 

Delanghe, L., Besluit. In : De Mecheleer, L., De armoede in onze gewesten van de Middeleeuwen tot nu. Dossier bij de gelijknamige tentoonstelling in het Algemeen Rijksarchief te Brussel,1991.

 

Dittmar, H., The social psychology of material possessions. New York, Harvester Wheatsheaf,1992.

 

Frijda, N., De psychologie heeft zin. Amsterdam, Prometheus,1993

 

Lewis, A., Webley, P. en Furnham, A., The new Economic Mind. New York, Harvester Wheatsheaf,1995.

 

Vranken, J., Geldof, D. en Van Menxel, G., Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek. Leuven, Acco,1997.