Your browser version is outdated. We recommend that you update your browser to the latest version.

OUD WORDEN IN EEN VREEMD LAND: Allochtone ouderen en hun behoeften

 

                                                                                              Guido Cuyvers & Jo Kavs

 

 

Tot nog toe krijgen allochtone ouderen in het onderzoek weinig aandacht. Nu hun aantal stilaan toeneemt, is het nodig inzicht te krijgen in hun specifieke situatie. Waarin gelijken ze op de autochtone ouderen en waarin verschillen ze?

 

Om de situatie van de allochtone ouderen goed te begrijpen is het noodzakelijk om hun migratieverleden, hun arbeidsloopbaan en hun woonsituatie in acht te nemen. Het aankomen in een vreemd land was voor hen allen een belangrijke bron van stress. Vooral de Turkse en Marokkaanse ouderen zagen vervolgens hun droom om terug te keren in rook opgaan. Ook de verwachting dat ze, eens oud, door de eigen kinderen zullen verzorgd worden, blijkt een illusie te zijn. De allochtone ouderen zijn naar hier gekomen om hier onder moeilijke arbeidsomstandigheden te komen werken wat leidde tot specifieke ziekte en vroegtijdige veroudering. Vermits ze naar hier kwamen met de verwachting terug te keren naar het land van herkomst, namen ze genoegen met minderwaardige woonomstandigheden. Vaak hadden ze overigens omwille van hun lagere economische situatie weinig keuze. Deze factoren samen maken dat vooral de ouderen met een Italiaanse, Turkse en Marokkaanse achtergrond veel kenmerken gemeenschappelijk hebben met kansarme ouderen.

 

1 Gezondheid

 

De gezondheidssituatie van de allochtone en de autochtone ouderen verschilt op een aantal punten. Verschillende onderzoeken wezen uit dat de pathologie van de allochtone en autochtone ouderen niet altijd overeenkomt. Allochtone oudere mannen worden vaker geconfronteerd met beroepsziekten dan de autochtone oudere mannen. Ze zijn ook vaker dan de autochtone mannen slachtoffer geweest van werkongevallen. Dit komt doordat de allochtone mannen vaker dan de autochtone mannen tewerkgesteld waren in zware en ongezonde sectoren zoals de mijnbouw en de textielindustrie. Zowel allochtone oudere mannen als vrouwen vertonen daarnaast meer psychosomatische klachten dan de autochtone ouderen. Het migratieverleden speelt hierbij een belangrijke rol: heimwee naar het thuisland, het zich verscheurd voelen tussen België en het thuisland, problemen met de partner of met de adolescente kinderen, geldgebrek, het gevoel van machteloosheid in de Belgische omgeving omdat ze de taal onvoldoende beheersen, enzovoort, veroorzaken heel wat stress. Deze vertaalt zich in chronische maag- en darmklachten, migraine, diabetes, slapeloosheid,…

 

Nog een ander verschil tussen allochtone en autochtone ouderen is dat de ouderdomsaandoeningen vroeger de kop opsteken bij de eerste groep. Vele allochtonen vertonen op hun vijftigste al aandoeningen waarmee autochtone leeftijdgenoten pas tien laar later geconfronteerd worden. De reden ligt opnieuw bij de stress die voortkomt uit het migratieverleden. Voor de mannen speelt daarnaast opnieuw het zware arbeidsverleden een rol. Bij de vrouwen is het gebrek aan beweging, gecombineerd met een onaangepast dieet, een belangrijke boosdoener. Het merendeel van de Turkse, Marokkaanse en Italiaanse eerste generatiemigranten is immers afkomstig uit landbouwgebied. In het thuisland werkten ook de vrouwen actief mee in de productie. Eens in België gingen ze niet meer uit werken maar bleven de eetgewoonten afgestemd op het functioneren in een landbouwomgeving. De vet- en suikerrijke voeding werd dus niet meer gecompenseerd met voldoende beweging. (1)

 

2 Het gebruik van diensten

De huidige allochtone ouderen maken weinig of geen gebruik van de Vlaamse diensten en voorzieningen, de thuisverpleging uitgezonderd. Omdat de dienstverlening in dit geval het uitvoeren van medische handelingen betreft, is de culturele drempel om op deze diensten beroep te doen lager dan bij de andere diensten. Je kan immers niet van de kinderen en familieleden verwachten dat ze allemaal over de medische deskundigheid beschikken om deze handelingen uit te voeren. Deze drempel wordt ook verlaagd door het feit dat de handelingen die de verpleegkundigen uitvoeren absoluut noodzakelijk zijn voor de gezondheid van de ouderen. Bij het gebruik van andere diensten en voorzieningen zien we duidelijke verschillen tussen de drie nationaliteiten. De Italiaanse ouderen doen meer beroep op de Vlaamse diensten dan de Turkse en de Marokkaanse ouderen. Verschillende Italiaanse ouderen maken gebruik van een poetsdienst of een klusjesdienst. Ook neemt het aantal Italianen die de stap naar het rusthuis zetten langzaam maar zeker toe. De Turkse en de Marokkaanse ouderen doen op uitzondering van de thuisverpleging weinig of geen beroep op de Vlaamse diensten. Af en toe probeert iemand de gezinshulp of de poetshulp uit, maar de hulpverlening wordt bijna altijd na korte tijd stopgezet. Als reden worden de verschillende culturele gewoonten en gebruiken vermeld, gecombineerd met de onmacht om daarover te communiceren. Van diensten zoals de oppashulp voor bejaarden, de personenalarmering, het dienstencentrum, het kortverblijf en de serviceflats, maakten tot nog toe weinig of geen allochtone ouderen gebruik. Dit geldt voor de drie nationaliteitengroepen. De dienst warme maaltijden werd wel door verschillende ouderen van de drie nationaliteiten geprobeerd, maar ook hier werd de hulpverlening vrij snel weer stopgezet. Het gebrek aan multiculturele menu’s was de hoofdreden.

 

3     Verwachtingen over diensten

In het algemeen zeggen de allochtone ouderen tevreden te zijn met de mogelijkheden die ze krijgen, als ze die al kennen en gebruiken. Ze willen op dezelfde manier behandeld worden als de autochtone ouderen.

Geconfronteerd met praktische voorbeelden geven ze meer specifieke informatie. Een van de steeds terugkerende problemen is de taal. De allochtone ouderen spreken weinig of geen Nederlands. Dit bemoeilijkt de communicatie met de hulpverleners en zorgt regelmatig voor misverstanden. Tegelijk minimaliseren ze  het taalprobleem. Ze zeggen dat ze zich wel behelpen, desnoods met handen en voeten. Het niet aangepast zijn van de voeding aan de typische Italiaanse, Marokkaanse of Turkse keuken is een andere bron van onvrede. Voor de Turkse en de Marokkaanse ouderen komt daar bij dat er vaak geen rekening gehouden wordt met de religieuze voedingsvoorschriften. Toch gaat ook in dit geval een aanzienlijke groep het probleem minimaliseren. Ze zeggen dat ze nu eenmaal in België zijn en dat ze zich moeten aanpassen. In de praktijk zien we echter dat de allochtone ouderen niet bereid zijn deze aanpassingen te doen als ze voor een langere periode niet zelf kunnen koken. De aanpassing is mogelijk als ze bijvoorbeeld voor een korte periode naar het ziekenhuis moeten. Maar zelfs daar laten vele allochtone ouderen maaltijden van thuis meebrengen.

Een derde terugkerend probleem betreft de financiën. De allochtone ouderen vinden de diensten en de gezondheidszorg te duur.

Tenslotte vermelden de allochtone ouderen regelmatig conflicten met de hulpverleners, of in het geval van het ziekenhuis ook met de medepatiënten, over culturele gewoonten en gebruiken. Een voorbeeld hiervan is de overlast in het ziekenhuis door het veelvuldig en luidruchtig bezoek van familieleden aan de allochtone patiënt. Een voorbeeld uit de thuiszorg is dat de autochtone hulpverlener en de allochtone hulpvrager het huishouden op een andere manier organiseren. Door de gebrekkige communicatie is het moeilijk om over de werkwijze te communiceren, waardoor de allochtone ouderen vaak ontevreden zijn over de manier waarop het huishoudelijk werk wordt uitgevoerd.

Het minimaliseren van de problemen is volgens deskundigen een typische fenomeen bij de eerste generatie migranten. Ze blijven zich in België een ‘gast’ voelen, een vreemde die dankzij de goedheid van de autochtonen in België mag wonen. Dat ze beroep mogen doen op de Vlaamse diensten en voorzieningen is een voorrecht. Ze vinden dat ze niet in een positie staan om eisen te stellen. Ook vergelijken de allochtone ouderen hun situatie niet met die van de autochtone ouderen maar met die van hun leeftijdgenoten in het thuisland. Dit geeft hen het gevoel dat hun eigen situatie nog niet zo slecht is. Toch zorgt het niet aangepast zijn van de diensten en voorzieningen in de praktijk voor problemen en frustraties bij zowel de allochtone hulpvragers als de autochtone hulpverleners. In verschillende gevallen werd de hulpverlening op vraag van de allochtone ouderen stopgezet omwille van die problemen.

 

4 Drempels

4.1 Drempels die het gebruik van de Vlaamse voorzieningen door allochtone ouderen belemmeren

We zetten de drempels die het gebruik van de Vlaamse ouderenvoorzieningen door allochtone ouderen belemmeren op een rij. We baseren ons hiervoor vooreerst op de Nederlandse literatuur, waar in de loop van de jaren negentig heel wat aandacht ging naar het thema van de allochtone ouderen. In opdracht van verschillende lokale overheden en de nationale overheid werden onderzoeken uitgevoerd naar de situatie van de allochtone ouderen in Nederland. Daarnaast ontwierp het Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn (NIZW) het project “Waardig oud worden in Nederland”. Daarbij bracht ze allochtone ouderen samen voor een informatie-uitwisseling waarbij enerzijds informatie gegeven werd over het aanbod van ouderenvoorzieningen in Nederland en anderzijds geïnformeerd werd naar de noden en behoeften van de deelnemers. Omdat de situatie in Vlaanderen op vele vlakken vergelijkbaar is met die in Nederland, ontstond vanuit Vlaanderen interesse in dit project. De provincies Limburg en Oost-Vlaanderen sloegen de handen in elkaar en ontwikkelden op basis van het NIZW-project een aan de Vlaamse situatie aangepaste versie “Ouder worden in Vlaanderen”.

4.2  De wederzijdse onbekendheid tussen de allochtone ouderen en de Vlaamse ouderenvoorzieningen

Een gevolg van zowel het terugkeerdilemma als het zorgdilemma is dat de allochtone ouderen weinig of geen interesse vertonen in de Vlaamse ouderenvoorzieningen. Hun kennis van de bestaande diensten beperkt zich tot het rusthuis, eventueel een thuisverplegingsdienst, het ziekenfonds en het OCMW. Deze laatste twee kennen ze dan nog meestal uit een andere context dan de ouderenzorg. Dat ze er ook terecht kunnen voor specifieke diensten zoals de klusjesdienst of de poetsdienst, weten ze niet. De algemene informatieverstrekking over ouderenvoorzieningen, zoals die naar de Vlaamse ouderen toe gebeurt, schiet te kort als het gaat om allochtone ouderen. Folders en artikels in tijdschriften of kranten zijn bijna altijd exclusief in het Nederlands, terwijl de allochtone ouderen weinig of geen Nederlands kennen. Ze zijn zelfs vaak ongeletterd in hun eigen taal. Ook de auditieve informatiecampagnes op radio en televisie zijn in het Nederlands en zijn bovendien alleen op de Vlaamse zenders te zien. Dit zijn zenders waar allochtone ouderen zelden op afstemmen. Ze kijken via satelliet naar zenders uit het land van herkomst. Daardoor ontwikkelen de allochtone ouderen weinig passieve kennis over het aanbod aan Vlaamse voorzieningen. (2)

 

Uiteraard zijn er heel wat Vlamingen, vooral uit de lagere sociaal-economische klassen, die niet op de hoogte zijn van de mogelijkheden van de dienstverlening. Die zijn even moeilijk bereikbaar via de traditionele informatiecampagnes als de allochtone ouderen. Het grote verschil tussen allochtonen en autochtonen is echter dat de meeste Vlamingen die met een hulpvraag geconfronteerd worden, al vrij snel iemand in hun omgeving vinden die zich in het verleden in een gelijkaardige situatie bevond. Deze kan hen dan de nodige raad en informatie geven over waar ze met hun problemen naartoe kunnen. Ook kunnen de Vlaamse kinderen zien hoe hun ouders omgaan met de hulpvraag van hun grootouders. Als later dan ook de ouders hulpbehoevend worden, hebben de kinderen al een idee van de mogelijkheden die hen ter beschikking staan. Allochtonen hebben deze voordelen niet. De eerste generatie migranten vervult een pioniersrol: ze zijn de eerste generatie die oud wordt in België. Als ze dus met een hulpvraag geconfronteerd worden en ze vragen in de kennissenkring om raad, dan is de kans groot dat ze hier weinig zullen leren omdat ook de anderen zich nog nooit in een dergelijke situatie bevonden. Zowel de oudere als de jongere allochtonen staat dus voor een volkomen nieuwe situatie waarin ze opnieuw hun weg moeten zoeken. (3)

 

Allochtone ouderen zijn niet alleen onbekend met het aanbod aan Vlaamse voorzieningen. Binnen deze doelgroep leven ook heel wat vooroordelen over de Vlaamse ouderenzorg. Vele allochtone ouderen denken bijvoorbeeld dat de Vlaamse volwassenen zich weinig of niets meer van hun ouders aantrekken nadat ze het huis verlaten hebben om zelf een gezin te stichten. De in de realiteit veel voorkomende mantelzorg is onzichtbaar voor de ogen van de allochtonen, want de volwassen kinderen in Vlaanderen leven niet meer met hun ouders samen in hetzelfde huis. Vele allochtone ouderen denken dat de Vlaamse ouderen automatisch naar een rusthuis verhuizen als ze zorgen nodig hebben. ‘Oud worden in Vlaanderen’ betekent in hun ogen dus ‘het huis moeten verlaten’. Dat de rusthuispopulatie in de realiteit maar 5% van de totale Vlaamse ouderengroep bedraagt, komt voor vele allochtonen dan ook als een totale verrassing. Merk hierbij op dat deze misvatting niet enkel bij de allochtone gemeenschap leeft. Ook heel wat Vlamingen overschatten het aandeel ouderen dat in rusthuizen woont. (4)

 

Een kleine groep allochtonen vond in het verleden wel al de weg naar bepaalde Vlaamse diensten. De hulpverlening verliep echter niet altijd even vlot. Wederzijdse culturele onbekendheid tussen allochtonen en autochtonen en de daaruit voortkomende vooroordelen zorgen voor problemen. Zo hebben allochtonen vaak een verkeerd beeld van de dienstverlening. Ze gaan er vanuit dat het in de Vlaamse cultuur normaal is dat als je iemand betaalt om een aantal klussen op te knappen, dat je dit dan integraal aan die persoon kan overlaten en dat die persoon je op je wensen moet bedienen. Ze weten niet dat de dienstverlening geen alternatief is voor de mantelzorg, maar een aanvulling ervan, waarbij de hulpverlener ook rekent op ondersteuning door de mantelzorgers. (5) Het nu volgende citaat schets heel duidelijk tot welke situaties dit kan leiden:

“… Zo heeft er zich een situatie voorgedaan waarbij een gezinshelpster heel wat taken overnam van een bejaard Turks koppel: was, strijk, onderhoud, boodschappen doen, enzovoort. Voor de rest zorgden de gehuwde dochter en de schoondochter. De zoon van het bejaarde koppel woonde nog in, maar hielp echter weinig of niets in het huishouden. De gezinshelpsters voelden zich niet gerespecteerd doordat de zoon wel opdrachten gaf (de bejaarde ouderen spreken namelijk geen Nederlands), maar verder niets deed in het huishouden. Volgens de dochter was haar broer “al meer Belg” geworden naar Turkse gewoonten. Dit betekende dat in haar ogen de Belgen betalen om een aantal klussen voor hen op te knappen en zich laten bedienen op hun wensen. Eenzelfde houding: de zoon die niet helpt in het huishouden wordt door de Belgen benoemd als typisch Turks gedrag en door de Turken als typisch Belgisch gedrag.” (6)

 

De wederzijdse culturele onbekendheid tussen allochtonen en autochtonen uit zich dus in allerhande vooroordelen tegenover de andere groep. We hadden het al over de vooroordelen van allochtonen over de Vlaamse aanpak van de ouderenzorg. Maar er circuleren binnen de Vlaamse dienstensector minstens evenveel vooroordelen over de manier waarop allochtonen hun ouderenzorg invullen. Vele Vlamingen denken nog steeds dat de allochtonen op hun oude dag wel zullen terugkeren naar hun thuisland. Ze zien niet hoe de pijn van het achterlaten van de kinderen en kleinkinderen, het gevoel een vreemde te zijn in het land van oorsprong, enzovoort, ervoor zullen zorgen dat een definitieve terugkeer wellicht nooit zal plaatsvinden. Wie al begrijpt dat de eerste generatie migranten in België oud zal worden, stapt vaak in de volgende valkuil: “als de allochtone ouderen zorgen nodig hebben, dan zullen de kinderen dat wel opvangen. Dat hoort toch zo in hun cultuur…”. De verschuiving bij de allochtone jongeren naar een meer Vlaamse invulling van de ouderenzorg wuiven deze mensen weg met de stelling dat er binnen de allochtone gemeenschap een onoverbrugbare afkeer voor (Vlaamse) voorzieningen bestaat. Ze baseren zich voor deze uitspraak op hun kennis over de traditionele culturen in de herkomstlanden van de allochtonen, waar beroep doen op niet-familieleden voor de zorgverlening aan de ouders een grote blaam voor de familie betekent. De kans is groot dat de allochtone jongeren, die in een Belgische context leven en opgroeiden, deze traditionele visie op ouderenzorg niet langer zullen onderschrijven. (7)

 

Uit het gebrek aan kennis van de Vlaamse diensten over de cultuur van de allochtonen volgt nog een ander probleem: de aangeboden diensten zijn volledig afgestemd op de noden en behoeften van de Vlaamse ouderen. Hierdoor ontstaat er een vicieuze cirkel: de allochtone ouderen kennen de diensten niet, dus doen ze er geen beroep op. De diensten kennen de allochtone ouderen niet, dus ontwikkelen ze geen aanbod voor deze doelgroep. De weinige allochtonen die toch hun weg naar de diensten vinden worden geconfronteerd met een dienstverlening op maat van de Vlamingen. Daardoor zijn ze niet geneigd om lang beroep te doen op deze diensten (niet langer dan écht noodzakelijk) en zullen ze de diensten ook niet aanbevelen aan andere allochtonen met gelijkaardige problemen. Bijgevolg blijft het aandeel allochtone ouderen die beroep doen op de diensten beperkt. De sector voelt geen nood om een aangepast aanbod te ontwikkelen voor deze doelgroep, de wederzijdse onbekendheid blijft bestaan en zorgt ervoor dat allochtonen zelden doorstromen naar de professionele dienstverlening. (8)

4.3  Culturele drempels: het Vlaamse dienstenaanbod is niet afgestemd op die specifieke noden en behoeften van de allochtone ouderen.

Voor we kijken naar de concrete drempels die voortkomen uit de onbekendheid van de Vlaamse ouderensector met de cultuur van de allochtonen, moeten we het begrip ‘cultuur’ definiëren. Cultuur bestaat uit twee deelaspecten: de materiële cultuur en de immateriële cultuur. De materiële cultuur omvat de architectuur, de kleding, allerhande technieken, materiële producten, kunst, voorwerpen, enzovoort, terwijl de manier waarop mensen denken, de waarden, normen, gevoelens, emoties, enzovoort, de immateriële cultuur vormen. De twee deelaspecten zijn met elkaar verbonden: de materiële cultuur krijgt zijn specifieke betekenis door de immateriële cultuur. Cultuur is met andere woorden de toekenning van betekenissen aan handelingen, fysieke objecten, enzovoort. Cultuur draait niet om de voorwerpen op zich, maar om de betekenissen die eraan gekoppeld zijn. De drempels die we zullen beschrijven zijn dus meer dan enkel een verschil in gewoonten en gebruiken. De betekenis is geworteld in een meer fundamenteel verschil tussen autochtonen en allochtonen: ze is geworteld in de cultuur. (9)

Toch mag de rol van cultuur ook niet overschat worden als het gaat over de problemen die de allochtone ouderen ervaren bij hun contacten met de Vlaamse samenleving. Andere factoren zoals de sociaal-economische positie, wederzijdse vooroordelen en allerhande misverstanden ten gevolge van de gebrekkige taalkennis van de eerste generatie spelen daarbij een rol. Talloen (10) pleit ervoor om “…cultuurverschillen op gelijke hoogte te schakelen met andere belangrijke en minder belangrijke verschillen binnen de samenleving: die tussen mannen en vrouwen, tussen de sociale klassen, de generaties, gelovigen en ongelovigen.”

Welke zijn nu de concrete drempels? Het is onmogelijk een volledig overzicht te geven van alle problemen die zich voordoen. We schetsen enkel de grote lijnen. De gewoonten en gebruiken van de allochtonen verschillen van die van de autochtonen op de volgende aspecten:

-          de omgang met gezondheid en lichaamsverzorging

-          de praktische organisatie van huishoudelijke taken

-          de voeding

-          de gewoonten en gebruiken die voortkomen uit de religie

-          de taal en de communicatie

- De omgang met gezondheid en lichaamsverzorging

De manier waarop allochtonen omgaan met gezondheid verschilt op nogal wat vlakken van de manier waarop autochtonen dit doen. Om te beginnen is de beleving en uitdrukking van ziekte en pijn cultureel bepaald. Allochtonen en autochtonen gebruiken andere woorden, uitdrukkingen en expressies om aan anderen duidelijk te maken wat ze ervaren. Vlaamse artsen en verpleegkundigen die niet op de hoogte zijn van deze culturele verschillen begrijpen vaak niet wat er precies aan de hand is met hun allochtone patiënten. Dit is zéker het geval bij psychische klachten, maar ook bij fysieke klachten is het stellen van de juiste diagnose een moeilijke opgave. De allochtone ouderen voelen dit aan en merken dat ze niet begrepen worden door de hulpverleners. En omgekeerd geldt hetzelfde: als een arts of verpleegkundige iets duidelijk wil maken aan de allochtone ouderen, dan stoten ze op een al even groot onbegrip bij hun patiënten. Deze situatie veroorzaakt frustraties aan beide kanten. De verschillende wijze van communiceren over gezondheid is een gevolg van de verschillende medische denkkaders die beide groepen hanteren. Vlaamse zorgverstrekkers werken vanuit de empirische traditie, die het menselijk lichaam ziet als een machine met verschillende onderdelen die in harmonie met elkaar samenwerken. Ziekte ontstaat wanneer bepaalde onderdelen niet goed functioneren. De hulpverlener stelt de diagnose op basis van de waarneming van de disfunctie van bepaalde lichaamsonderdelen. Allochtone ouderen hanteren een totaal ander medisch kader. Ze zien gezondheid als iets waar een individu zelf weinig vat op heeft. De Turken, Marokkanen en tot op zeker niveau ook de Zuid-Italianen, schrijven gezondheidsproblemen toe aan ‘geesten’ die in hun leven ingrijpen omdat deze (om vaak onbekende redenen) boos op hen zijn. Een andere mogelijke oorzaak van ziekte is ‘het kwade oog’. Vaak speelt ook religieus mysticisme een belangrijke rol: ziek zijn is een straf van God, van Allah, omdat de persoon bepaalde religieuze principes niet respecteerde. De meeste allochtone ouderen hanteren dus een fatalistisch medisch denkkader, dat de oorzaak van ziekte bijna volledig buiten de persoon legt. De hulpverleners in de traditionele culturen zijn ‘zieners’ die dankzij hun bovennatuurlijke gaven kunnen zien wat de oorzaak van het gezondheidsprobleem is. Wat we in de huidige moderne Vlaamse samenleving vaak als bijgeloof zien, is voor de allochtone ouderen dagelijkse realiteit. Vele Vlaamse hulpverleners weten niet dat hun patiënten vanuit een ander denkkader naar gezondheid kijken. En zij die dat wel weten, begrijpen het vaak niet of vinden het een onbelangrijk gegeven. Hoe dan ook, de Vlaamse hulpverleners handelen vanuit hun eigen medische denkkader en houden zelden of nooit rekening met de denkwereld van de allochtone ouderen. Bijgevolg combineren vele Turkse, Marokkaanse en Italiaanse ouderen de conventionele geneeskunde met bezoeken aan gebedsgenezers. Dit zorgt soms voor problemen als de alternatieve behandeling niet op eenzelfde lijn ligt of zelfs ingaat tegen de conventionele therapie. In enkele gevallen werd in het verleden de conventionele therapie zelfs stopgezet, met een opeenstapeling van gezondheidsproblemen of zelfs het overlijden van de patiënt tot gevolg. (11)

 

Een ander gevolg van de toewijzing van gezondheidsproblemen aan externe entiteiten, is dat de allochtone ouderen zeer weinig weten over de werking van het menselijk lichaam. Ze begrijpen bijvoorbeeld niet dat bepaald eetgewoonten of stress een rol kunnen spelen in het ontstaan van gezondheidsproblemen zoals diabetisch of hart- en vaatziekten. Door hun fatalistische visie op gezondheid ervaren ze preventieve onderzoeken en behandelingen vaak als nutteloos en een onnodige verspilling van tijd en geld. Daarmee komen we bij een ander belangrijk verschil tussen allochtone en autochtone ouderen: allochtone ouderen hechten minder belang aan gezondheid dan hun Vlaamse leeftijdgenoten. Daardoor zijn ze minder bereid om geld uit te geven aan de gezondheidszorg. Dit uit zich onder andere in het gebrek aan bereidheid om bepaalde medische materialen (bijvoorbeeld incontinentiemateriaal) aan te schaffen. Hierdoor ontstaan regelmatig conflicten met de Vlaamse thuisverplegingsdiensten, wat voor sommige allochtone ouderen dan weer voldoende reden is om de hulpverlening stop te zetten. Merk wel op dat de net besproken drempels (het gebrek aan kennis van het menselijk lichaam, het beperkte succes van preventiecampagnes en de kleine bereidheid om geld uit te geven aan gezondheidszorg) ook werkzaam zijn bij kansarme autochtonen. (12)

 

Tenslotte zijn er op het vlak van de gezondheidszorg en de lichaamsverzorging nog een aantal culturele verschillen tussen allochtonen en autochtonen. Een veel gehoord voorbeeld hiervan is dat het wassen in de Turkse en Marokkaanse cultuur altijd gebeurt met stromend water. Hulpbehoevende allochtone ouderen voelen zich dan ook niet zuiver na een ‘Vlaamse’ wasbeurt in bed met een washandje. Een ander element dat soms voor problemen zorgt is de scheiding tussen mannen en vrouwen binnen de Turkse en de Marokkaanse gemeenschap. Het is niet altijd vanzelfsprekend dat de vrouwen zich door een mannelijke hulpverlener willen laten helpen. Sommigen verkiezen om deze reden geen beroep te doen op de Vlaamse dienstverlening.  (13)

- De praktische organisatie van huishoudelijke taken

Dergelijke verschillen in de gewoonten en gebruiken van allochtonen en autochtonen vinden we ook terug in de praktische organisatie van de huishoudelijke taken. In Turkse en Marokkaanse gezinnen is het bijvoorbeeld gebruikelijk om binnenshuis geen schoenen te dragen. Dit kan voor nogal wat problemen zorgen, bijvoorbeeld met de poetshulp. Ook de manier van wassen, strijken, koken, enzovoort gebeurt anders in de allochtone gemeenschap dan bij de Vlamingen. Opnieuw zorgt de wederzijdse onbekendheid tussen de hulpvrager en hulpverstrekker ervoor dat de hulpvrager liever geen beroep doet op de Vlaamse diensten. (14)

- De voeding

Een zeer belangrijke culturele drempel voor de allochtone ouderen is de voeding. Zowel de Turkse, de Marokkaanse als de Italiaanse keuken verschillen enorm van de traditionele Vlaamse eetcultuur. Voor de Turkse en de Marokkaanse ouderen speelt bovendien niet alleen de culturele eigenheid van de voeding een rol. Hun geloof legt hen een aantal specifieke voedingsvoorschriften op, waarvan het niet eten van varkensvlees de bekendste is. De Koran raadt de gelovigen ook aan om in de mate van het mogelijke enkel ritueel geslacht vlees te eten. Ander vlees mogen ze alleen eten als het niet anders kan. De manier waarop de Turkse en de Marokkaanse ouderen met deze regels omgaan verschilt van persoon tot persoon. Sommigen zijn hierin strikter dan anderen. Toch zijn vele moslims bijzonder wantrouwig tegenover voeding die door niet-moslims bereid werd. (15)

 

Door de verschillende eetcultuur is de kans bijzonder klein dat allochtone ouderen beroep zullen doen op een dienst warme maaltijden (al dan niet aan huis bezorgd) als deze alleen een Vlaams menu aanbiedt. Enkel in allerlaatste instantie, als er écht geen andere oplossing mogelijk is, zullen ze deze stap overwegen, en dan nog voor een zo kort mogelijke periode. Ook in de ziekenhuizen is de voeding vaak oorzaak van klachten. De allochtone gemeenschap lost dit probleem op door zelfbereide maaltijden van thuis mee te nemen naar het ziekenhuis. Dit zorgt dan weer voor problemen als de patiënt een bepaald dieet moet volgen. Een diëtist kan wel proberen om in overleg met de familie een menu samen te stellen, maar omdat vele diëtisten niet bekend zijn met de eetcultuur van de verschillende allochtone groepen in België, kunnen ze ook geen aangepaste recepten doorgeven. Het geven van Vlaamse recepten heeft geen zin omdat de familie het eten van thuis meebrengt om tegemoet te komen aan het verlangen van de patiënt naar eten uit de eigen keuken. Bijgevolg beperkt de begeleiding van de diëtist zich vaak tot het geven van een aantal algemene richtlijnen. Maar omdat vele allochtonen geen verband zien tussen de voedingsgewoonten en de gezondheid, vallen deze richtlijnen meer dan eens in dovenmansoren. Bij een tijdelijk verblijf in het ziekenhuis kan de familie het verlangen naar voeding van de eigen cultuur nog opvangen. Dit wordt al heel wat moeilijker bij de verhuis naar een rusthuis. Het niet aanwezig zijn van aangepaste menu’s vormt een grote drempel voor de allochtone ouderen om de stap naar een rusthuis te zetten. (16)

- De religie

Net als vele Vlaamse ouderen zijn ook de Turkse, Marokkaanse en Italiaanse ouderen nog erg gelovig. Zowel het Katholieke geloof van de Italiaanse en Vlaamse ouderen als het Islamitische geloof van de Turkse en Marokkaanse ouderen zijn typische voorbeelden van historische religies. Deze maken een opsplitsing tussen het natuurlijke en het bovennatuurlijke. Door het transcendente met de perfectie te associëren, wordt al het aardse (dus ook het leven hier) slecht en verwerpelijk. Het concept van de redding uit de onvolmaakte materiële wereld staat centraal. De gelovigen kunnen deze redding bereiken door het naleven van een aantal religieuze principes. Om het religieus gereguleerde leven te vergemakkelijken probeert een samenleving die op zo’n historische religie gefundeerd is om de religieuze principes in haar organisaties in te bouwen. In het traditionele Vlaanderen gebeurde dit voor de Katholieke godsdienst. Dit uit zich op dit moment bijvoorbeeld door de aanwezigheid van een kapel in ziekenhuizen en rusthuizen, een priester die regelmatig op bezoek komt bij de patiënten of bewoners, de kruistekens die in vele gebouwen aanwezig zijn, enzovoort. Voor de Italiaanse ouderen, die net als de Vlaamse ouderen een Katholieke achtergrond hebben, vormt dit een vertrouwde omgeving waarin ze hun geloof vrij kunnen beleven. (17)

 

Voor de Turkse en de Marokkaanse ouderen ligt dit heel wat moeilijker. De religieuze gewoonten en gebruiken van de Islam zijn immers niet dezelfde als die van het Katholicisme. In de Islamitische cultuur is het bovendien gebruikelijk dat de gelovigen zich vanaf een bepaalde leeftijd meer en meer op het religieuze gaan richten. Zo bereiden ze zich voor op het verlaten van hun lichaam en van deze wereld. Ook vele Turkse en Marokkaanse ouderen in België proberen dit te doen. De godsdienst komt hierdoor erg centraal te staan in hun leven. De afwezigheid van religieuze faciliteiten voor moslims zoals bijvoorbeeld een aangepaste gebedsplaats of de mogelijkheid om beroep te doen op een imam, vormen hoge drempels voor deze groepen allochtone ouderen. Ook de onbekendheid van de Vlaamse hulpverleners met bepaalde religieuze gewoonten en gebruiken van de Turkse en Marokkaanse moslims verhogen de drempel om beroep te doen op deze diensten. We hebben hiervan al enkele voorbeelden besproken. De voedingsvoorschriften zijn een belangrijk struikelblok. Niet enkel het niet eten van varkensvlees of van niet-ritueel geslacht vlees kunnen voor problemen zorgen, ook met de jaarlijkse vastenperiode van de Ramadan wordt door vele Vlaamse diensten en voorzieningen geen of nauwelijks rekening gehouden. Een ander voorbeeld is dat moslims in de mate van het mogelijke vijf keer per dag bidden. Dit gebeurt steeds op vaste tijdstippen. Hulpverleners die hiervan niet op de hoogte zijn en dus geen rekening houden met de gebedstijden, komen soms op ongelegen momenten bij de Turkse of Marokkaanse ouderen toe. Dit kan langs twee kanten frustraties veroorzaken. (18)

- De taal en de communicatie

Alle drempels die tot nog toe aan bod kwamen zijn een gevolg van de onbekendheid van de Vlaamse samenleving met de verschillende allochtone gemeenschappen. Er is nood aan meer communicatie, maar in het geval van de allochtone ouderen bemoeilijken taalproblemen de contacten. De meerderheid van de eerste generatie Turkse, Marokkaanse en Italiaanse migranten spreekt immers enkel de eigen moedertaal. Vaak zijn ze ook analfabeet in de eigen taal. De mannen leerden wel enkele woorden Nederlands (of Frans in de regio Brussel) omdat ze dit nodig hadden in hun werksituatie, maar dit is lang niet voldoende om de cultureel bepaalde noden en wensen aan de Vlaamse hulpverleners te kunnen communiceren. De kennis van het Nederlands bij de vrouwen is nagenoeg onbestaand, mede doordat ze een groot deel van hun leven binnenshuis doorbrachten en slechts zeer weinig contact hadden met de Belgische samenleving. De kleine groep allochtone ouderen die tot nog toe beroep deed op de Vlaamse diensten en voorzieningen probeerde het communicatieprobleem te overbruggen door hun in Vlaanderen of Brussel opgegroeide kinderen als tolk in te zetten. Het tolken door de kinderen kan een oplossing zijn om een aantal afspraken te maken bij het opstarten van hulp door een thuishulpdienst of bij een opname in een ziekenhuis of in een rusthuis. Ook bij een op voorhand vastgelegd doktersbezoek of bezoek van een maatschappelijk assistent kan op deze manier het communicatieprobleem opgevangen worden. Het tolken door de kinderen heeft echter ook een aantal nadelen. Zo bestaat de kans dat de ouderen zich in het bijzijn van hun kinderen niet vrij durven uiten over relationele problemen of over bepaalde thema’s die binnen de gemeenschap in een taboesfeer liggen. Ook kunnen de kinderen niet continu naast de ouders staan. Bij acute problemen blijven allochtone ouderen en Vlaamse hulpverleners vaak onbegrepen tegenover elkaar staan. Velen doen nog wel een poging om met gebaren duidelijk te maken wat ze willen zeggen, maar dit lukt niet altijd. De hulpverlening beperkt zich in deze situaties tot de materiële hulp, de emotionele hulpvraag blijft onbeantwoord. Dit zorgt regelmatig voor misverstanden en frustraties langs beide kanten. Ook beroep doen op externe of neutrale tolken is niet altijd een oplossing. Vele allochtone ouderen zijn immers erg wantrouwig tegenover buitenstaanders van de familie, waardoor ze opnieuw bepaalde gevoelige thema’s zullen verzwijgen. Een andere reden waarom de communicatie tussen allochtone ouders en Vlaamse hulpverleners vaak moeilijk verloopt, is dat de allochtone ouderen weinig mondig zijn. Vaak groeiden ze op in een omgeving waar het openlijk uitspreken van de eigen mening zware gevolgen kon hebben. Eens in België werd hun mening zelden of nooit gevraagd. Vele allochtone ouderen voelen zich in België nog steeds een ‘gast’ en een gast stelt uit beleefdheid toch geen eisen aan de gastheer. Ze zijn al blij dat ze in België mogen wonen. Ze hebben hier immers een relatief goed leven in vergelijking met hun leeftijdgenoten in het thuisland. Dit alles maakt dat allochtone ouderen vaak een passieve houding aannemen in hun zorgvraag. Het niet uiten van problemen betekent echter niet dat de allochtone ouderen geen problemen zouden ervaren. In ziekenhuizen, rusthuizen, dienstencentra enzovoort vormt de taal tenslotte nog een bijkomende drempel. Omdat het aandeel allochtone ouderen dat op dit moment beroep doet op deze diensten erg klein is, komen de ouderen die de stap toch wagen (of moeten zetten) vaak in een geïsoleerde positie terecht. Door het taalprobleem zijn ze immers niet in staat te communiceren met de medegebruikers van de diensten. De allochtone ouderen zijn zich bewust van deze situatie en dit verkleint hun bereidheid om beroep te doen op deze diensten en voorzieningen aanzienlijk. (19)

4.4 De financiële drempel

Naast de culturele drempel speelt ook de financiële situatie van de doelgroep een belangrijke rol. Allochtone ouderen behoren vaak tot de laagste inkomenscategorieën. Hiervoor zijn verschillende redenen. De eerste is dat vele eerste generatiemigranten vóór hun migratie nog enkele jaren in het thuisland gewerkt hebben. Omdat ze vaak in de landbouw actief waren (en dus niet in loondienst) is dit deel van hun arbeidsverleden moeilijk aantoonbaar. En zelfs als ze hun prestaties kunnen bewijzen, dan levert dit zeer weinig op omdat de pensioenregeling in het thuisland lang niet zo uitgebreid is als die in België. Een arbeidsverleden in het thuisland betekent ook dat hun carrière in Vlaanderen onvolledig is. Omdat voor de berekening van het pensioen in België enkel die onvolledige carrière in aanmerking komt, ligt ook dit bedrag lager dan bij de doorsnee Vlaming. Tenslotte speelt ook de aard van het uitgevoerde werk een rol. De meeste huidige allochtone ouderen voerden laaggeschoolde en dus weinig betaalde arbeid uit, waardoor ook het basisbedrag voor de berekening van het pensioen erg laag ligt. De financiële situatie van de ex-mijnwerkers uit het Limburgse steenkoolbekken blijkt iets beter te zijn dan die van hun allochtone leeftijdgenoten elders, omdat aan de ex-mijnwerkers een aantal voordelen werden toegekend (zoals bijvoorbeeld de verwarmingstoelage). (20)

 

Door de slechte financiële situatie zullen de allochtone ouderen niet snel beroep doen op de vaak dure Vlaamse dienstverlening. Hetzelfde geldt trouwens voor de Vlaamse ouderen uit de laagste inkomensklassen. Toch is de bereidheid van deze laatste groep door een cultureel verschil nog iets groter dan die van de allochtone ouderen. De allochtone gemeenschap hecht immers minder belang aan de gezondheidszorg dan de doorsnee Vlaming. De weinige middelen die de allochtone ouderen ter beschikking hebben, besteden ze liever aan andere zaken. (21)

 

5 Voorstellen

5.1 Doorbreken van vicieuze cirkel van wederzijdse onbekendheid

De wederzijdse onbekendheid tussen de allochtone ouderen en de Vlaamse hulpverleners in de formele diensten en voorzieningen vormt op zich een belangrijke drempel. Omdat ze het aanbod niet kennen, doen de allochtone ouderen geen beroep op de Vlaamse diensten. Over de weinige diensten die ze wel kennen koesteren ze vaak vooroordelen, waardoor ze ook niet geneigd zijn hun mogelijkheden te onderzoeken. Wie die stap toch waagt, merkt als snel dat het nagaan van de mogelijkheden veel inspanning vraagt. Vaak staken ze hun zoektocht vrij vlug en zoeken ze een oplossing voor het probleem binnen de familiekring. Wie echt niet anders kan en toch beroep doet op een of andere dienst, weet vaak niet wat de dienstverlening precies omvat. Om aan die problematiek tegemoet te komen is communicatie noodzakelijk. De overheid kan daarin een cruciale rol spelen. Zij moet immers een duidelijk standpunt innemen door initiatieven te nemen op verschillende niveaus. Ze kan vooreerst de communicatie tussen de verschillende partijen op de werkvloer stimuleren en vervolgens haar beleid verder concretiseren door overleg te stimuleren tussen het werkveld, de doelgroepen en de eerstelijnsorganisaties.

De eerste stap om het probleem van de wederzijdse onbekendheid op te lossen is het oplossen van de communicatiedrempels op de werkvloer door:

¨          mogelijkheid bieden aan allochtone ouderen die dit willen om eenvoudige, praktijkgerichte taallessen te volgen

¨          tegemoetkoming door diensten op vlak van taal (vb. via tolken, intercultureel bemiddelaars, meer allochtone personeelsleden, eenvoudige taallessen voor ouderen…)

¨          inzetten van interculturele bemiddelaars om eventuele verschillen in communicatiecultuur op te vangen

Stimulatie van de communicatie met werkveld, eerstelijns, doelgroep en overheid is dringend nodig. Op dit moment is het vertrouwen tussen de sector en de overheid zoek. De overheid zal hieraan moeten werken als ze de medewerking van deze sector niet wil verliezen. Er bestaat vooral behoefte aan een opwaardering van het eerstelijnswerk, aan een beleid dat ook op de werkvloer voelbaar. Het werkveld wil daarom betrokken worden bij de gedetailleerde uitwerking van het beleid. Bovendien vraagt de sector snelle resultaten. De sector is immers gefrustreerd omdat er al tien tot vijftien jaar rond deze problematiek onderzoek gedaan wordt, maar er in hun ervaring al die tijd nog nagenoeg niets concreet gerealiseerd werd.

5.2 Culturele vorming en bewustmaking van de betrokken partijen – werken aan beeldvorming

Zowel de allochtone zorgvragers als de autochtone zorgverstrekkers weten weinig over de cultuur van de ander. Bovendien is hun houding vaak bevooroordeeld of hanteren ze een verkeerd beeld van de ander. Aan de kant van de allochtone ouderen stellen we bijvoorbeeld vast dat hun verwachtingen vaak overspannen zijn, dat ze moeilijk begrijpen dat diensten geen vervanging, maar een aanvulling zijn van de mantelzorg. Ook aanvaarden ze nauwelijks dat de hulpverlener een afgebakende taak uit te voeren heeft. Bij de autochtone hulpverleners zien we anderzijds dat ze het cultureel bepaalde gedrag van allochtone ouderen vaak niet kunnen plaatsen. Ze hebben bijvoorbeeld moeite met de theeceremonie, of begrijpen niet waarom ze hun schoenen moeten uitdoen bij een huisbezoek.

Het is vooral belangrijk dat de twee partijen leren over het bestaan van de culturele verschillen, dat ze openstaan voor het anders zijn en dat ze over de cultuurverschillen leren communiceren zodat er bij problemen ook naar oplossingen kan gezocht worden. Dat lukte in het verleden vaak niet.

Werken aan vorming en bewustmaking kan vooreerst via opleidingen, cursussen, bijscholingen, campagnes. Gezondheidspromotie is daarbij belangrijk. Programma’s over gezondheid en hulpverlening op lokale televisie in taal van allochtonen zouden bijvoorbeeld erg zinvol kunnen zijn.  Doch dat volstaat niet. Het is zeker ook noodzakelijk om de verschillende partijen samen te brengen om te werken rond cultuurverschillen. Op die manier wordt tegelijk aan bewustmaking en beeldvorming gewerkt. Voorbeelden daarvan zijn het project ‘Ouder worden in Vlaanderen’ en ‘Intercultureel verplegen’

5.3 Actief werken aan toegankelijkheid

Een tweede weg om de vicieuze cirkel van de onwetendheid te doorbreken is het voeren van een actief beleid naar de allochtone ouderen toe om de sector open te stellen voor deze doelgroep. Hier worden initiatieven vanuit de zorgsector verwacht omdat de allochtone ouderen weinig zelf actief op zoek gaan naar informatie.

¨          Vooreerst is het nodig dat de allochtone ouderen kunnen kennismaken met het aanbod van diensten en voorzieningen zodat ze een realistisch zicht krijgen op de mogelijkheden die daar geboden worden. Daarnaast blijkt dat dergelijke initiatieven ook de beeldvorming van de allochtone ouderen over de Vlaamse diensten verandert. Onbekend is ook hier onbemind.

¨          Vervolgens moet ook de zorgsector zelf haar aanbod meer aanpassen aan noden en behoeften van allochtone ouderen. Rekening houden met voeding, met religieuze behoeften, met andere rolpatronen, met de plaats van de groep zijn in elk geval noodzakelijk. Daarnaast is ook een multiculturalisering van sector nodig.

Om die multiculturalisering van de zorgsector kansen te geven, moet op verschillende vlakken gewerkt worden:

¨          Het ondersteunen (financieel en met campagnes) van de bewustmaking over cultuurverschillen van huidige personeel in de zorgsector;

¨          Het werken aan multiculturalisering van de samenleving, specifiek via het onderwijs en zeker via onderwijs dat voorbereidt op een job in de zorgsector;

¨          Het aantrekkelijk maken van beroepen in de zorgsector zodat er terug een grotere instroom komt. Dat is nodig om twee redenen:

(1) om de toename van de zorgvraag van allochtone ouderen te kunnen opvangen en

(2) om de job aantrekkelijk te maken voor de allochtone jongeren. Deze doelgroep zal immers geen beroep kiezen met een lage maatschappelijke status

¨          De aanwerving van meer allochtone medewerkers op alle niveaus (werkvloer tot directie) stimuleren. Indien hulpverleners hun taal kennen en ook hun culturele gewoonten en gebruiken, geeft dat de ouderen een gevoel van herkenning en een gevoel van veiligheid. Uiteraard mag die strategie niet leiden tot een doorgedreven positieve discriminatie.

¨          Het stimuleren (financieel of via oprichting van pool) van aanwezigheid van interculturele bemiddelaars in de zorgsector en gezondheidssector. Er bestaat immers een nood aan “cultuurvertalers” die kunnen bemiddelen tussen allochtone hulpvragers en autochtone hulpverleners, maar ook tussen verschillende generaties van allochtone families. Wel is het zinvol het huidige systeem van interculturele bemiddelaars te evalueren en bij te sturen.

¨          Het aanpassen en uitbreiden van het aanbod van de diensten en voorzieningen zodat ook tegemoet gekomen wordt aan culturele eigenheid van allochtone ouderen. Aanpassingen zijn nodig op het vlak van de:   

-          religie (vb. gebedsruimten in rusthuizen, rekening houden met religieuze feestdagen…)

-          voeding (maaltijden uit verschillende keukens, rekening houden met religieuze voedingsvoorschriften bv. geen varkensvlees voor moslims,…)

-          culturele gewoonten en gebruiken (vb. inrichting van kamer in rusthuis met lage tafeltjes, ruimte waar grote familie op bezoek kan komen, rekening houden met eigen manier van stervensbegeleiding,…)

-          taal (vb. via tolken, intercultureel bemiddelaars, meer allochtone personeelsleden, eenvoudige taallessen voor ouderen…)

 

Noten

 

(1)          Abraham, 1996, p 35-36 – De Graaff, 1996, p 32-33 – Loutz, Manço, 1993-2, 27 – Talloen, 1999-3, p 8 – Talloen, 2001-7, p 9 – Tesser, Van Dugteren, Meren, 1998, p 219-220, 227 – Vander Meeren, 1996-2, p 3 – Vander Meeren, 1996-3, p 8 – Wolters, Van der Kwaak, 1996, p 16-17

(2) Nelissen, 1997, p 26 – Pecquet, 1991, p 11-13 – Pric-Limburg, 1998, p 13 – Talloen, 1998-2, p 12 – Vander Meeren, 1996-2, p 6

(3) Nelissen, 1997, p 26 – Pecquet, 1991, p 11 – Vander Meeren, 1997-2, p 28

(4) Nelissen, 1997, p 26 – Pric-Limburg, 1998, p 6 – Talloen, 1998-2, p 12 – Talloen, 1999-2, p 6 – Tesser, Van Dugteren, Merens, 1998, p 266 – Van Toorn, Reijnierse, 1994, p 111

(5) Talloen, 1999-2, p 6-8 – Vander Meeren, 1996-2, p 6-7 – Van Toorn, Reijnierse, 1994, p 113

(6) Talloen, 1999-2, p 6-7

(7) De Graaff, 1996, p 32 – Pecquet, 1991, p 10 – Talloen, 1999-3, p 8-9 – Talloen, 2001-7, p 10 – Vander Meeren, 1996-2, p 6-7 – Vander Meeren, 1997-2, p 27

(8) Nelissen, 1997, p 11 – Pauwels, 1994-2, p 57-58 – Pecquet, 1991, p 11 – Talloen, 2001-7, p 10 – Vander Meeren, 1996-2, p 7 – Vander Meeren, 1996-3, p 9 – Vander Meeren, 1997-2, p 27

(9) Vincke, 2000, p 44, 47, 48 – Wolffers, Van der Kwaak, 1996, p 15

 

(10) Talloen, 1999-2, p 8 – Talloen, 2001-7, p 12

(11) Bauwers, 1996, p 47-49 – Loutz, Manço, 1993-2, p 29-30 – Van Toorn, Reijnierse, 1994, p 79 – Wolffers, Van der Kwaak, 1996, p 18-20

 (12) Loutz, Manço, 1993-2, p 28-29, 33

(13) Talloen, 1999-2, p 7 – Vander Meeren, 1996-2, p 7 – Vander Meeren, 1996-3, p 9 – Vander Meeren, 1997-2, p 27

(14)  Talloen, 1999-2, p 7 – Vander Meeren, 1996-2, p 7 – Vander Meeren, 1996-3, p 9 – Vander Meeren, 1997-2, p 27

 (15) Talloen, 1999-2, p 7 – Vander Meeren, 1996-2, p 7 – Vander Meeren, 1996-3, p 9 – Vander Meeren, 1997-2, p 27 – Van Toorn, Reijnierse, 1994, p 128

 (16)  Talloen, 1999-2, p 7 – Vander Meeren, 1996-2, p 7 – Vander Meeren, 1996-3, p 9 – Vander Meeren, 1997-2, p 27

(17) Pecquet, 1991, p 27-28 – Talloen, 1999-2, p 7 – Vander Meeren, 1996-2, p 7 – Vander Meeren, 1996-3, p 9 – Vander Meeren, 1997-2, p 27 – Vincke, 2000, p 231

(18) Talloen, 1999-2, p 7 – Vander Meeren, 1996-2, p 7 – Vander Meeren, 1996-3, p 9 – Vander Meeren, 1997-2, p 27 – Vincke, 2000, p 231

(19) Pecquet, 1991, p 11, 32-33 – Vander Meeren, 1996-2, p 7 – Van Toorn, Reijnierse, 1994, p 12-13, 79, 87, 109, 127-129 – Vincke, 2000, p 44, 47, 48 – Wolffers, Van der Kwaak, 1996, p 19-21

(20) Talloen, 1999-2, p 7

(21) Loutz, Manço, 1993-2, p 29, 32 – Talloen, 1999-2, p 7 – Tesser, Van Dugteren, Merens, 1998, p 269

 

Bibliografie

 

Abraham, E., 1996, Oudere mensen zijn als bomen die schaduw geven. Oudere Marokkaanse vrouwen en mannen in de Nederlandse verzorgingsstaat. Amsterdam, Het Spinhuis, 110 p.

Berg, B.L., 1998, Qualitative Research Methods for the Social Sciences. Boston, Allyn and Bacon, 290 p.

Blaxter, L., Hughes, C., Tight, M., 1998, How To Research. Buckingham, Open University Press, 1998, 260p.

Bauwers, T., 1996, Aanraken, massage en gebruik van kruiden. In: De Graaff, F. (red), Oudere migranten, onze zorg! Den Haag, Bureau Mutant, p 47-50.

Cooreman-Massie, D., 1989, Kom een beetje bij me zitten – Animeren in het rusthuis. Leuven / Amersfoort, Acco, 210 p.

De Graaff, F.M., 1996, De mogelijkheden in beleid en praktijk. In: De Graaff, F. (red), Oudere migranten, onze zorg! Den Haag, Bureau Mutant, p 29-45.

Foyer, 1997, Segregatie, concentratie en het ervaren van discriminatie. Brussel, Foyer vzw, 31 p.

Goossens, L., Vanhove, A., Baecke, M., Marchal, A., 1997, Migranten op de woningmarkt. Een verkennend onderzoek naar twee Antwerpse woonwijken. Antwerpen, UFSIA – Steunpunt Wonen en Woonbeleid, 266 p.

Kesteloot, C., De Decker, P., Manço, A., 1997, Turks and housing in Belgium, with special reference to Brussels, Ghent and Visé. In: Özüekren, Ş., Van Kempen, R., Turks in European cities: housing and urban segregation. Utrecht, Ercomer, p 67-97.

Lesthaeghe, R., 2000, Transnational islamic communities in a multilingual secular society. In: Lesthaeghe, R. (red), Communities and Generations. Turkish and Moroccan populations in Belgium.. Brussel, VUB University Press, p 1-58.

Loutz, N., Manço, A., 1993-2, Opvattingen over en gedrag tegenover de gezondheid: een vergelijking van Belgische en Turkse ouderen. In: Leman, J., Loutz, N., Manço, A., Pecquet, C., Oudere migranten. Brussel, Cultuur en migratie vzw, p 23-34.

Morgan, D.L., Krueger, R.A., (eds.), vol. 1, 1998, The Focus Group Guidebook. Thousand Oaks, Sage Publications, 103 p.

Morgan, D.L., Krueger, R.A., (eds.), vol. 2, 1998, Planning Focus Groups. Thousand Oaks, Sage Publications, 139 p.

Morgan, D.L., Krueger, R.A., (eds.), vol. 3, 1998, Developing Questions for Focus Groups. Thousand Oaks, Sage Publications, 107 p.

Morgan, D.L., Krueger, R.A., (eds.), vol. 4, 1998, Moderating Focus Groups. Thousand Oaks, Sage Publications, 115 p.

Morgan, D.L., Krueger, R.A., (eds.), vol. 6, 1998, Analyzing & Reporting Focus Group Results. Thousand Oaks, Sage Publications, 139 p.

Nelissen, H., 1997, Zonder pioniers geen volgers. Utrecht, NIZW-uitgeverij, 160 p.

Pauwels, K., 1994-2, Voorstellen tot verhoogde toegankelijkheid van voorzieningen op basis van een literatuuranalyse. In: Toegankelijkheid van reguliere welzijnsvoorzieningen voor migranten – 20 voorstellen op basis van recent Nederlands en Vlaams onderzoek. Brussel, CBGS, p56-64. (CBGS-document)

Pecquet, C., 1991, Oudere allochtonen – een exploratief onderzoek omtrent de leefsituatie van 75plus-Italianen wonende in de gemeente Genk. Brussel, VUB, 116 p. (Licentieverhandeling)

PRIC (Provinciaal Integratie Centrum) Limburg, 1998, Werkingsverslag “Ouder worden in Vlaanderen”. Codenr: NGS98/057

Richelle, J.N.M., 1996, Een fatsoenlijke oude dag voor migranten in Nederland – de mogelijkheden van de overheid. In: De Graaff, F. (red), Oudere migranten, onze zorg! Den Haag, Bureau Mutant, p 25-28.

Russell Bernard, H., 2000, Social Research Methods – Qualitative and Quantitative Approaches. Thousand Oaks, Sage Publications, 659 p.

Sunier, G., 2000, On the selectivity and internal dynamics of labour migration processes: an analysis of Turkish an Moroccan Migration to Belgium. In: Lesthaeghe, R. (red), Communities and Generations. Turkish and Moroccan populations in Belgium.. Brussel, VUB University Press, p 59-94.

Talloen, D., 1998-2, Voorlichtingsmethode Ouder worden in Vlaanderen – voorlichting aan Turkse ouderen. Anderzijds, jrg 4, nr 2 (juni), p 8-14.

Talloen, D., 1999-2, Turkse ouderen: zorgvraag en zorgaanbod. Anderzijds, jrg 5, nr 2 (juni), p 4-10.

Talloen, D., 2001-7, Dossier: allochtone ouderen. Sociaal, jrg. 22, nr 7 (september), p 9-15.

Tesser, P.T.M., Van Dugteren, F.A., Merens, J.G.F., 1998, Rapportage minderheden 1998: de eerste generatie in de derde levensfase. Den Haag, Sociaal en Cultureel Planbureau, 375 p.

Vander Meeren, P., 1996-2, Katern in Anderzijds, jrg 2, nr 2 (maart).

Vander Meeren, P., 1996-3, Oud worden ver van huis. Anderzijds, jrg 2, nr 3 (juni), p 7-10)

Vander Meeren, P., 1997-1, Artikelenreeks Oud worden ver van huis. Anderzijds, jrg 3, nr 1 (februari), p 27-31.

Vander Meeren, P., 1997-2, Ouder worden in Vlaanderen: een voorlichtingspakket voor Turkse en Italiaanse Ouderen. Anderzijds, jrg 3, nr 2 (juni), p 27-28.

Van Toorn, M., 1992, Turkse Ouderen in Rotterdam. Een onderzoek naar de wensen en behoeften van Turkse ouderen in de Tarwewijk en Afrikaanderwijk ten aanzien van zorgvoorzieningen. Rotterdam, Erasmus Universiteit, 65 p.

Van Toorn, M., Reijnierse, W., 1994, Allochtone ouderen: een zorg(e)loze toekomst? Rotterdam, SBWR, 152 p.

Verhoeven, H., 2000, De vreemde eend in de bijt, arbeidsmarkt en diversiteit. Leuven, KU-Leuven – Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming, 236 p. (WAV-dossier)

Vrind 99, Vlaamse Regionale Indicatoren. Brussel, Ministerie van de Vlaamse gemeenschap.

VMC (Vlaams Minderheden Centrum), 2001, Etnisch-culturele minderheden in Vlaanderen. Internet, 10 oktober 2001. (http://www.vmc.be/main/maind03.htm)

Yildirim, S., 1999, Etnisch-culturele minderheden in Vlaanderen. Brussel, Vlaams Minderheden Centrum, 41 p.

Wolffers, I., Van der Kwaak, A., 1996,Het gaat om onze samenleving: onze beschaving. In: De Graaff, F. (red), Oudere migranten, onze zorg! Den Haag, Bureau Mutant, p 15-23.