Your browser version is outdated. We recommend that you update your browser to the latest version.

 

REFLECTIES op de ouderenzorg van de toekomst

 

De plaats van ouder wordende mensen in de actuele samenleving is vaak voorwerp van discussie. Media, volksmond en zelfs ook wetenschappelijke geschriften vergroten het probleem van de last die ouderen voor de samenleving zouden betekenen op een eenzijdige manier uit. Zullen de gevolgen van de vergrijzing betaalbaar blijven? Blijft er nog genoeg over voor de volgende generaties? Zijn de huidige ouderen niet de potverteerders die de welvaart van de jongere generaties hypothekeren? Tegelijk zijn vele ouder wordende mensen, de zogenaamde babyboomers, zelf nog niet klaar met het fenomeen oud worden. Alsof ouder worden een kwaal is, wensen velen jongere ouderen vooral jong te blijven en zogenaamd van het leven te genieten. Verwijzingen naar de positieve betekenis van ouder blijven (bijvoorbeeld de wijsheid van de ouderdom, het relativeringsvermogen van ouderen, hun positief gevoelsleven, hun zorg voor kinderen en kleinkinderen) nog te veel onder de radar van het maatschappelijk debat over de vergrijzing. Bezorgdheid is bij alle betrokken de overheersende teneur: bij de jongere generaties over de vraag of zij het nog even goed zullen hebben als de huidige ouderen; bij de ouderen zelf over of zij nog wel een plaats hebben in de samenleving en op welke zorg zij zullen kunnen rekenen. Zorgen over de eigen toekomst in de samenleving en over het welzijn van de eigen groep, zijn zorgen die generaties blijkbaar gemeen hebben. Die onzekerheid bracht een groep ouder wordende mensen samen om te reflecteren over die zorgen en over hun verwachtingen voor de toekomst. Het resultaat van die gedachtewisseling is deze tekst. Hij is niet bedoeld en dus ook niet te lezen als een artikel dat voldoet aan de strenge methodologische eisen. Hij wil zowel sensibiliseren als stimuleren. Daarom bevat hij naast een aantal algemene beschouwingen ook voorstellen over wat er nodig is (in de Kempen) om voor iedereen kansen tot kwaliteitsvol ouder worden te creëren.

De titel van dit stuk verdient nog enige toelichting. Vooreerst begrijpen we zorg erg breed. Het gaat niet enkel om de verzorging bij medische problemen of toenemende fysieke ongemakken. Zorg staat ook voor de bekommernis van ouder wordende mensen om een waardevolle plaats te blijven behouden in de samenleving, om als burger te kunnen participeren en ook om zich in het proces van ouder worden psychisch goed te blijven voelen.

Terugblikkend op de gesprekken ontdekken we doorheen de reflecties een rode draad. De ultieme verwachting van ouder wordende mensen is dat ze verbonden blijven met andere mensen en met de samenleving. Die verbinding in stand houden, en waar nodig stimuleren, lijkt de fundamentele voorwaarde te zijn om de toekomst van het ouder worden veilig te stellen. Hannah Arendt waarschuwde reeds in de jaren zestig voor het risico van de verwoestijning van de samenleving. Daarmee bedoelde ze dat de grond tussen mensen verdorde. Met deze reflecties hoopt de denkgroep handvatten aan te reiken om de grond tussen mensen, ouderen en jongeren, vruchtbaar te houden. De reflecties zijn geordend in drie thema’s, die in figuur 1 in een beeld worden neergezet. Dat zijn 1) het bouwen aan een sterke gemeenschap 2) waarin de kwaliteit van leven gewaarborgd blijft en 3) dat met respect voor de eigen kracht van ouder wordende mensen.

Deze reflecties wellen op vanuit een welbepaalde visie op mens en samenleving. Die visie staat haaks op wat vandaag in het beleid de onuitgesproken ondertoon is, namelijk een sterk neoliberale benadering die de individuele vrijheid van wie zijn best doet als hoogste goed vooropstelt en die gemeenschap en beleid daaraan ondergeschikt maakt. Het eigenbelang van individuen en ook dat van groepen, zoals ouderen, is daarbij vaak de drijfveer. Daar staat dan een communitaristische visie op samenleven en ouder worden tegenover. Die vertrekt van de uitdaging hoe mensen samen een sterke gemeenschap kunnen uitbouwen op basis van de sterktes van iedereen (asset-based community). In dergelijke gemeenschap spelen alle geledingen, ook de ouder wordende mensen, een essentiële rol. Ook kunnen de sterktes (ervaring, competenties, wijsheid, enz.) van ouder wordende mensen daarin tot hun recht komen. Uiteraard moet die gemeenschap ook kunnen rekenen op het engagement van ouderen. Ouderen zijn dan niet in de eerste plaats een belasting voor de andere generaties, maart vormen een van de noodzakelijke pijlers van zo’n samenleving. Die sterke gemeenschap is de basis is voor de ontwikkeling van iedereen met bijzondere aandacht voor de kwetsbare mensen. Het welzijn wordt dan een opdracht van iedereen en niet enkel van overheden en instellingen. Loyauteit aan die samenleving en verbinding van mensen zijn daartoe noodzakelijk.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur: Bouwstenen voor de toekomstige ouderenzorg

 

 

 

 

1 Een sterke gemeenschap

Kwaliteitsvol ouder worden moet zich afspelen in een sterke. Een gemeenschap omschrijven we hier als “een groep mensen die in een bepaalde lokaliteit samenleeft wat hen toelaat hun basisbehoeften te realiseren en wat kansen creëert tot verbinding tussen de leden van die gemeenschap”. Een leefbare gemeenschap zal bijgevolg eerder beperkt in omvang zijn: bijvoorbeeld een dorp, een wijk of een gehucht in een gemeenste of stad. Het gaat dus niet over macro-vormen van gemeenschap zoals de Vlaamse Gemeenschap of de Europese Gemeenschap. Dergelijke gemeenschap kenmerkt zich door minstens volgende eigenschappen: relaties tussen mensen staan er centraal; overheden geloven in de kracht van (ook ouder wordende) mensen en geven hen een stuk controle over hoe die gemeenschap georganiseerd wordt; de sterktes van de mensen krijgen in die gemeenschap alle kansen; alle geledingen, ook alle generaties, in de gemeenschap worden betrokken bij de ontwikkeling van dergelijke gemeenschap. De realisatie van een sterke gemeenschap gebeurt niet top-down, maar is een verantwoordelijkheid van velen: generaties, hulp- en zorgverleners, middenveld en beleidsmensen.

1.1 Overheid

De eerste verantwoordelijke voor een sterke gemeenschap is de overheid. We beschouwen drie luiken in die verantwoordelijkheid: infrastructuur, sterktes benutten, burgerparticipatie.

                    Mensen verbinden vraagt om ruimte waar mensen kunnen samen komen. Het is uiteraard in de eerste plaats de overheid die moet bewaken, liefst in samenwerking met het middenveld, dat er infrastructuur beschikbaar is die relaties tussen en ontmoeting van mensen mogelijk maakt. Mensen en verenigingen beschikken in een sterke gemeenschap over lokalen om samen te komen en er activiteiten te ontwikkelen. Dat kan soms betekenen dat er infrastructuur moet gebouwd of herbouwd worden wanneer ze er nog niet is. Het kan ook betekenen dat de overheid privaat uitgebate infrastructuur zoals parochiezalen en volkshuizen of leegstaande ruimtes overneemt, wanneer de beherende besturen moeilijkheden hebben om die lokalen materieel in stand te houden. In het kader van de kerkenplannen kan het ook betekenen dat gebouwen die aanvankelijk voor de kerkdiensten bedoeld waren, een nieuwe functie krijgen als gemeenschapscentrum. Voor ouderen is het essentieel dat de infrastructuur voor hen goed bereikbaar is; de ligging in het centrum, de beschikbaarheid van transport en de betaalbaarheid van de huur voor lokalen zijn daarbij belangrijke elementen.

                    Naast het creëren van ruimte voor ontmoeting, is er ook de verantwoordelijkheid voor de inplanting van infrastructuur voor zorgbehoevende ouderen. Bij de bouw van woon- en zorgcentra kunnen bijvoorbeeld mogelijkheden voorzien worden zodat de gemeenschap in die infrastructuur ook kan samenkomen en de ouderen de facto niet in een getto belanden. Goede infrastructuur kan verbindend werken op voorwaarde dat ze geïntegreerd ligt in de gemeenschap.

                    Het niveau van individuele infrastructuur overstijgend, is de lokale overheid ook verantwoordelijk voor de creatie van woonzorgzones, een urbanistische ingreep die gemeenschaps- en inclusie bevorderend is. Naar Scandinavisch concept is een woonzorgzone een samenhangend geheel van woon-, zorg- en welzijnsvoorzieningen in een wijk. Samenwerkingspartners stemmen de voorzieningen op elkaar af en wijkbewoners maken naar behoefte gebruik van de voorzieningen. Het resultaat moet zijn een woon- en leefomgeving waar het veilig en prettig leven is voor alle bewoners met of zonder zorg. En waar de noodzakelijke ondersteuning met zorg- en welzijnsdiensten om de hoek te regelen is.” (Bron: www.woonservicezone-utrecht.nl).

                    Een tweede luik in de verantwoordelijkheid van de overheid is dat ze initiatieven neemt of ondersteunt die mensen stimuleren om samen te komen en die de sterktes van mensen benut en kansen geeft. Daartoe is bijvoorbeeld nodig dat die sterktes in kaart gebracht worden, dat mensen aangesproken worden om hun sterktes in te zetten, bijvoorbeeld in vrijwilligerswerk. Momenteel blijven vele talenten en ervaringen van ouder wordende mensen onderbenut.

                    Een derde luik gaat over het samen vorm geven aan het beleid. Van beleidsmensen kan in deze tijd verwacht worden dat ze in staat en bereid zijn om op een nieuwe manier over democratie te denken. Dat kan wanneer ze een machtslogica (we zijn verkozen en dus hebben wij het voor het zeggen) inruilen voor een samenwerkingslogica (burgers hebben een stem in het kapittel bij belangrijke initiatieven). De initiatieven om tot een ‘deep democracy’ te komen verdienen hier aandacht: het gaat erom dat men de verschillen in visie bewust gebruikt om tot betere beslissingen te komen. Burgerparticipatie is vooralsnog niet het leidende motto van vele beleidsvoerders. Ze beperken zich nog te vaak tot een traditionele vorm van inspraak. Die staat ten dienste van beslissingen die vaak al genomen zijn. Echte participatie gaat over burgers reële kansen geven om invloed uitoefenen op het tot stand komen en de realisatie van beleid. Het gaat over processen van communicatie, van dialoog, van conflict waarbij burgers, burgerorganisaties, ambtenaren, experten en politici elkaar beïnvloeden, zo aan meningen, houdingen en gedrag bouwen en uiteindelijk tot beslissingen komen. In het beleidsplan van de Vlaamse Ouderenraad is de participatie van ouder wordende mensen aan het beleid als een belangrijke doelstelling opgenomen. Als vorm van echte democratie vraagt dat zowel aan de kant van de ouderen als bij beleidsmensen betrokkenheid en de bereidheid om verantwoordelijkheid te delen.

 

1.2 De ouderen zelf

De tweede groep die een rol te spelen heeft in het bouwen aan een sterke gemeenschap zijn de ouderen zelf. We willen daarbij eerst het onderscheid maken tussen mee mogen – mee willen – mee kunnen. Het is niet vanzelfsprekend dat ouderen betrokken worden bij de ontwikkeling van een sterke gemeenschap. Vormen van sociale exclusie en van leeftijdsdiscriminatie maken dat ouderen niet ten volle aan de gemeenschap kunnen participeren. De problematiek van de vereenzaming van grote aantallen ouderen is bekend. Uiteraard moeten ouderen zelf gemotiveerd zijn om een rol te spelen. In vergelijking met omringende landen scoort België zwak op de inzet van ouderen in het vrijwilligers werk (amper 16 % van de zestigplussers doet aan vrijwilligerswerk tegenover bv 46 % in Nederland). Wel goed scoort de mantelzorg en de opvang van (klein)kinderen. Ten slotte is het nodig dat ouderen ook nog kunnen participeren op basis van een voldoende lichamelijke en geestelijke gezondheid. Het is duidelijk dat het engagement van ouder wordende mensen meer stimulatie behoeft, zeker nu grote groepen baby boomers de arbeidsmarkt verlaten en beschikbaar kunnen zijn voor maatschappelijk engagement in allerlei vormen.

                    Tegelijk kan men van ouderen verwachten dat ze hun kapitaal delen. We maken daarbij uiteraard een onderscheid tussen het economisch, het sociaal en het psychologisch kapitaal. Er gebeurt op dat vlak al heel veel: ouders die hun kinderen materiaal en financieel steunen wanneer ze willen bouwen, het uitwisselen van ervaringen. Het is evenwel nog onvoldoende tot het grote publiek doorgedrongen welke bijdrage ouderen leveren. Daarom blijven stereotype clichés steeds weer de media te halen zoals ouderen die het geld van de volgende generaties opmaken, ouderen als profiteurs.

1.3 Andere generaties

Vervolgens is er de rol van de andere generaties. De plaats die ouderen in een gemeenschap krijgen en de stereotypen die gehanteerd worden, hangen mede af van de wijze waarop de jongere generaties ouderen percipiëren en behandelen. Vaak speelt hier het simpele principe: ‘onbekend is onbemind’. Daarom zijn initiatieven voor intergenerationele ontmoeting van groot belang. In die ontmoeting kan men elkaars kwaliteiten leren ontdekken en waarderen. Het slaan van bruggen tussen generaties kan uiteraard vanuit lokale verenigingen zelf vertrekken, wat overigens maar matig gebeurt. Daarom moeten intergenerationele initiatieven ook gestimuleerd worden door overkoepelende organisaties.

1.4 Een stok in de wielen: Ageisme

Een laatste factor die we hier kort vermelden is de beeldvorming over ouder worden. Op dit vlak blijven negatieve stereotypen bestaan (ageisme), weliswaar soms wat getemperd door positieve stereotypen. Nochtans is het hanteren van stereotypen problematisch als ouderen zich bij het stereotype beeld neerleggen, zich ermee identificeren en zich vervolgens gaan gedragen volgens de stereotypen. Op die manier ontstaat een zichzelf verwerkelijkende voorspelling. Vanuit een waarderend perspectief is het noodzakelijk dat het stereotype beeld van de ouderen als probleem of als kwetsbaar gecorrigeerd wordt en minstens aangevuld, maar liever ingeruild wordt met het perspectief van ouder worden als nieuwe kans.

 

2 Kwaliteit van leven

In een sterke gemeenschap moeten de voorwaarden aanwezig zijn voor kwaliteitsvol ouder worden. Dan volgt natuurlijk de vraag wat het goede, kwaliteitsvolle leven dan wel zou kunnen zijn. De Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum beschreef een aantal criteria (capabilities)  die in een samenleving op een minimaal niveau aanwezig moeten zijn om van ‘een goed leven’ te kunnen spreken. Gemeenschappen moeten volgens haar kansen creëren tot individuele ontwikkeling; uiteraard moet de persoon dan ook nog die kansen willen aangrijpen. Deze lijst met capabilities is ook te gebruiken als een reeks criteria om te bepalen of een gemeenschap voldoende mogelijkheden biedt om kwaliteitsvol ouder te worden. De 10 essentiële capabilities beschrijven we kort in Bijlage 1. Voor de Vlaamse ouderenraad betekent kwaliteitsvol leven dat ouderen ‘de regie over het eigen leven in handen kunnen houden en dat zij van hun competenties gebruik kunnen maken om ouder te worden op een manier die het sociaal, mentaal en fysiek welzijn en de volwaardige participatie aan de samenleving bevordert’. Drie voorwaarden daartoe willen we kort toelichten, namelijk kansen tot levenslange ontwikkeling, het recht op goede zorg en de mogelijkheid om coaching te ontvangen.

 

2.1 Levenslange ontwikkeling

Zich levenslang kunnen ontwikkelen is voor ouder wordende mensen de koninklijke weg om kwaliteitsvol ouder te worden. Dat kan door steeds nieuwe ervaringen op te doen, en vooral door vorming en participatie aan cultuur. Levenslang leren is meer dan louter het verwerven van kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor het deelnemen aan de arbeidsmarkt. Het draait om het versterken van mensen in hun persoonlijke ontplooiing, geletterdheid, zelfredzaamheid, sociale inclusie en maatschappelijke participatie (arbeid, vrijwilligerswerk, vrijetijdsparticipatie, …). Een leven lang leren heeft onmiskenbaar een positief effect op de gezondheid, het welzijn en het sociaal contact van ouderen. Naast het formeel onderwijs kunnen sociaal-culturele (ouderen)verenigingen en de lokale dienstencentra hier een belangrijke rol spelen. Ouderen geven veelal de voorkeur aan leren als een sociaal gebeuren, waarbij belang gehecht wordt aan leren met en van andere ouderen. Aandacht voor gepaste leeromgevingen, het sociale aspect van deelname aan het leren en de mogelijke rol/meerwaarde van oudere vrijwilligers als begeleiders bij het leren van ouderen is dan ook aangewezen.

                    In Vlaanderen nemen ouderen momenteel onvoldoende deel aan onderwijs en andere vormen van levenslang leren. Vlaanderen loopt hier wat achter op de buurlanden, wat al tot opmerkingen van de Europese Commissie heeft geleid. Dit zowel omwille van een aanbod dat niet altijd aangepast is aan hun noden, als door diverse barrières die de kloof tot levenslang leren vergroten. (aanbod, financies, bereikbaarheid, mobiliteit, taal, enz.). Een bijzonder kwetsbare groep in dit verband zijn ouderen met een zorgnood. Zij blijken het moeilijkst bereikbaar te zijn.

2.2 Coaching

Naast ontwikkeling is de beschikbaarheid van coaching wanneer mensen belangrijke beslissingen moeten nemen, een element van een sterke gemeenschap. Veel domeinen van het leven ( zoals aangepast wonen, het beheer van de financiële middelen, het gebruik van assistieve technologieën die de onafhankelijkheid moeten ondersteunen, het uitoefenen van rechten en het kunnen genieten van rechtsbescherming) vereisen specifieke deskundigheid om goede beslissingen te kunnen nemen. Ouder wordende mensen hebben die deskundigheid doorgaans niet of onvoldoende (wegens gebrek aan kennis, vaardigheden en ervaringen op specifieke terreinen). Daarom hebben ze behoefte aan neutraal advies dat hen ondersteunt om te komen tot goede beslissingen. Advies wordt momenteel doorgaans vooral aangereikt door private, commerciële instellingen; het probleem is dat dat soort van adviezen uiteindelijk de objectieven van de commerciële instelling moeten dienen en bijgevolg niet vertrekken bij het belang van de ouderen of er zelfs haaks op staan. Bijgevolg is er een vorm van coaching nodig die op maat en in het belang van de oudere mogelijkheden op een rij zet, voor- en nadelen bespreekt en op die manier een zelfstandige en verantwoorde keuze toelaat.

2.3 Het recht op goede zorg

Uiteraard kan ouder worden ook gepaard gaan met zorgnoden. Een professionele en kwaliteitsvolle hulpverlening is daarom van groot belang. Het is hier niet de plaats om in te gaan op wat die hulp dan moet zijn. Wel willen we een kanttekening plaatsen bij de hulpverleners. Loutere professionele deskundigheid volstaat daarbij niet. Van hulpverleners mag verwacht worden dat ze kritische partners van de ouderen zijn. Dat houdt in dat ze niet zonder meer technische uitvoerders zijn, maar dat ze zowel de hulpverlening als de context waarin die plaats vindt kritisch blijven bevragen met het oog op de waarborgen van de fundamentele rechten van ouderen en op de criteria waaraan kwaliteitsvolle hulpverlening moet voldoen. Voor vele ouderen geldt bovendien dat het recht zelf op zorg niet altijd gewaarborgd is. Dat is het probleem van de onderbescherming: door onder meer ingewikkelde procedures en bureaucratische beslommeringen zijn ouderen vaak niet op de hoogte van de rechten die voor hen beschikbaar zijn. Voor zover de zorg binnen de context van de familie aangeboden wordt, moet overigens ook bewaakt worden dat de informele ondersteuners zelf niet sociaal geïsoleerd geraken.

 

3 Met eigen kracht

Ouder worden is vaak eenzijdig getypeerd als een proces van toenemende kwetsbaarheid. Door de mogelijk problematische kant van het ouder worden als enig kenmerk te benadrukken, komen de sterktes en de kwaliteiten eigen aan het ouder worden (zoals wijsheid) nauwelijks of minstens onvoldoende in beeld. Dat heeft gevolgen voor de manier waarop mensen hun ouder worden beleven en voor de wijze waarop andere generaties ouderen benaderen.

                    De benadering vanuit het perspectief van de eigen krachten van ouderen biedt nieuwe mogelijkheden. Vooreerst komt het de regie in eigen handen houden als een realistisch perspectief naar voor. Het perspectief van de kwetsbaarheid daarentegen roept te snel het beeld op van tekorten, onvermogen en verlies; dat ontneemt ouderen vaak de energie om de regie over het eigen leven zelf in handen te houden. Het krachtenperspectief is de voedingsbodem voor een positief zelfwaardegevoel. Een gemeenschap kan dat zelfwaardegevoel ondersteunen door ouderen de mogelijkheid te bieden om sociaal gewaardeerde rollen op te blijven nemen; momenteel dwingen leeftijd barrières ouderen te vaak om uit dergelijke rollen te stappen.

                    Een krachtenbenadering hoeft geen ontkenning in te houden van kwetsbaarheid. Het probleem met kwetsbaarheid is dat het vaak als een kenmerk van alleen maar ouder wordende mensen wordt gezien, terwijl mensen op elke leeftijd kwetsbaar kunnen zijn, (denk maar aan volwassenen die met een druk beroeps het risico lopen op burn-out). Bovendien leidt een enge benadering van kwetsbaarheid ertoe dat men naast de kwetsbare kanten niet meer de mogelijkheden en de sterke kanten ziet en de betreffende ouderen beperkt in het functioneren op domeinen waar ze wel krachtig in zijn. De benadrukking van de kwetsbaarheid leidt vaak tot een vorm van sociale uitsluiting bijvoorbeeld in de vorm van betutteling of bemoedering. Onder het wellicht goed bedoeld mom van bescherming tegen mogelijke problemen, worden ouderen dan weggehouden van kansen tot sociaal contact en stimulerende of gewoon maar leuke activiteiten. Ten slotte is er nauwelijks aandacht voor de meerwaarde van kwetsbaarheid en voor wat kwetsbare mensen de samenleving kunnen bijbrengen.

 

4 Een uitdaging voor de Kempen

Op basis van de drie geschetste krachtlijnen voor de toekomst kunnen een aantal voorstellen gesuggereerd worden die kwaliteitsvol ouder worden in een sterke gemeenschap mogelijk maken en bevorderen. Ze zijn bedoeld voor beleidsmakers die op een of andere manier verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van het ouder worden in de Kempen. De uitdaging bestaat er in om van de Kempen de meest ouderdomsvriendelijke regio in Vlaanderen te maken. De Kempen, waar het goed ouder worden is.

 

4.1 Inclusief wonen

Zich thuis voelen in een sociaal veilige omgeving met een kwaliteitsvolle infrastructuur is voor alle ouder wordende mensen een centrale behoefte, trouwens ook een van de essentiële capabilities in de visie van Nussbaum. De eerste verantwoordelijkheid daarvoor op lokaal en regionaal vlak ligt uiteraard bij de overheid. Zij kan de inplanting van infrastructuur met het oog op de ontwikkeling van een leefbare gemeenschap sturen. Het onderzoek naar de mogelijkheden om wijken, gehuchten of stadsdelen te ontwikkelen conform de principes van een woonzorgzone is daarbij voor de meeste gemeentes een eerste stap. De planning en uiteindelijke realisatie vraagt uiteraard om een langetermijnbeleid. Beleidsmakers kunnen zich daarbij laten inspireren door goede voorbeelden in Vlaanderen en Nederland.

                    De overheid dient vervolgens de inplanting van nieuwe woon- en zorgcentra te oriënteren op een manier die samenlevingsbevorderend werkt en inclusief is. Een WZC dat geïsoleerd, ver van de basisbehoeften ingeplant wordt, staat daar dan haaks op. Evenmin voldoet een WZC dat opgevat wordt als een afgesloten eenheid binnen een gemeenschap aan de eis van inclusie. WZC die daarentegen centraal ingepland en geïntegreerd zijn in het gemeenschapsleven, bijvoorbeeld via een infrastructuur die ook open staat voor groepen en verenigingen, bieden veel betere kansen voor een blijvende sociale inclusie van de bewoners.

                    De actuele idealisering van de thuissituatie en de sterke benadrukking van het zelfstandig wonen, doen vaak onrecht aan wat ouder wordende mensen zelf echt willen. De vereenzaming binnen de eigen thuissituatie is voor veel ouderen een zware last. Daarom moet er ook voldoende aandacht gaan naar de ontwikkeling van woonvormen voor mensen die niet langer alleen thuis willen blijven en die evenmin naar een WZC willen verhuizen. Nieuwe woonvormen moeten mensen de mogelijkheid bieden om binnen de eigen gemeenschap toch op een veilige manier te kunnen samenwonen. De groeiende leegstand van winkelpanden biedt in elk geval de fysische ruimte voor de ontwikkeling van nieuwe woonvormen.

 

4.2 Leeftijdsvriendelijke gemeentes

Het concept van de leeftijdsvriendelijke gemeente kan beleidsmakers zowel een stimulans als een oriëntering geven voor de versterking van de leefbaarheid van de eigen gemeente. Een analyse van de leeftijdsvriendelijkheid, waarvoor trouwens instrumenten bestaan, moet dan een eerste stap zijn en een belangrijke basis voor de beleidsplanning. Vanuit het perspectief van ouder wordende inwoners zou het vervolgens zinvol zijn om bij infrastructuurwerken in de gemeente telkens ook de impact op ouderen te onderzoeken, net zoals dat kan voor kinderen en voor het milieu. De criteria om de leeftijdsvriendelijkheid van een gemeente te bevorderen en te beoordelen zijn: publieke ruimte en gebouwen, mobiliteit, wonen, sociaal-culturele participatie, respect en sociale inclusie, maatschappelijke participatie, communicatie en informatie, gezondheid en gemeenschapsvoorzieningen.

                    Een van de belangrijke zorgen van ouderen, zoals die duidelijk worden in de behoeftenonderzoeken die in vele Vlaamse, ook Kempense, gemeenten gebeurd zijn, betreft de mobiliteit. Het gaat over de barrières die ouderen ervaren als ze zich door hun gemeente willen bewegen. Voorbeelden zijn: onaangepaste voetpaden, hindernissen op die voetpaden, losliggende stoeptegels, gevaarlijke oversteekplaatsen. Deze bezorgdheid wordt des te prangender voor ouderen die zich moeten verplaatsen met hulpmiddelen zoals rollator of rolstoel. Mobiliteit heeft vervolgens ook te maken met de beschikbaarheid van openbare en private vervoersmiddelen. De recente inkrimping van het openbaar vervoer (bussen, treinen en belbussen) is vooral problematisch voor ouderen in niet-stedelijke gebieden. Het leidt voor hen tot verminderde kansen op zelfredzaamheid en tot mindere kansen om te participeren aan sociale en culturele activiteiten die zich buiten hun woonzone afspelen. Voor het beleid is het daarom belangrijk dat ze de basismobiliteit in hun gemeente waarborgt. Dat kan ze onder meer door leemtes op te sporen en eventuele alternatieven te promoten, te ondersteunen of zelfs op gang te brengen.

 

4.3 Toegankelijke cultuur en vorming

Om ouderen de kans te geven zich levenslang te ontwikkelen en aan cultuur te kunnen blijven participeren, moeten drie voorwaarden vervuld worden: drempels om te participeren moeten weggenomen worden, er moet een adequaat aanbod zijn en ouderen moeten blijvend gestimuleerd worden om mee te doen.

                    De drempels die het ouderen bemoeilijken om aan cultuur en vorming te participeren zijn veelvuldig. Er zijn vooreerst materiele drempels (de toegankelijkheid van lokalen) en financiële drempels (de kostprijs van cursussen en culturele activiteiten). Onaangepast communicatie is een volgende drempel. De bestaande mogelijkheden moeten gecommuniceerd worden op een manier die aansluit bij de gewoontes van grote groepen van ouderen. Wetende dat de digitale geletterdheid van vele ouderen een probleem is, is het zinvol te beseffen dat de vele informatie die online beschikbaar is, voor deze groepen niet toegankelijk is. Adequate informatie en communicatiesystemen zijn nodig.

                    Om levenslang leren, formeel en informeel, mogelijk te maken voor alle ouderen moet er meer aandacht komen voor: een aangepaste leeromgeving, een adequaat aanbod en voor ouderen haalbare voorwaarden (plaats, tijdstip, prijs, enz.). Een uitdaging is bovendien om ouderen met zorgnoden ook voldoende kansen tot cultuurparticipatie en tot levenslang leren te garanderen. Een inventaris van zowel de behoeften van ouderen op dat vlak als van de leemtes in de Kempen is een eerste stap.

                    Een derde voorwaarde is de noodzakelijke stimulering van ouderen om te blijven participeren aan vorming en cultuur. Teveel ouder wordende mensen haken blijkbaar af terwijl vorming en cultuur belangrijke factoren zijn persoonlijke ontplooiing en van inclusie in de samenleving. Geëigende werkvormen om ouderen te motiveren tot participatie zijn erg nodig. Als we cultuur bovendien ruimer opvatten dan alleen maar als een te consumeren product, maar als een manier van leven, dat zijn initiatieven die mensen met verschillende culturele kenmerken aanspreken en samenbrengen belangrijk om van een sterke gemeenschap te kunnen spreken.

 

4.4 Intergenerationele initiatieven ontwikkelen

Om van een sterke gemeenschap te kunnen spreken is het nodig dat alle geledingen van die gemeenschap in gesprek zijn met elkaar. Onbekend is onbemind. Nogal wat beeldvorming over ouderen komt voort uit de wederzijdse onbekendheid van jongere generaties en ouderen. Pas in de ontmoeting kan men elkaars kwaliteit leren waarderen. Bovendien leidt samenbundeling van de kwaliteiten van alle generaties wellicht tot sterke initiatieven. Er is bijgevolg behoefte aan initiatieven waarin ouderen en jongere generaties worden samengebracht. Kinderopvang in een WZC, jongeren die ouderen leren computeren zijn Het Waalse initiatief ‘Carrefour des generations’, project van OCMW Gent ‘courage to grow old’ zijn slechts enkele voorbeelden. Naast projecten van intergenerationele co-creatie is het ook een uitdaging om duurzame vormen van samenwerking te realiseren zodat intergenerationaliteit geïntegreerd raakt in het leven van alledag.

 

4.5 Gemeenschapsvormende initiatieven

Meer in het algemeen zijn initiatieven die de gemeenschap sterker maken van cruciaal belang. Het eerder beperkte vrijwilligerswerk in Vlaanderen steekt bijvoorbeeld schril af bij wat er op dat vlak in onze buurlanden gebeurt. Om het engagement van ouderen, en eigenlijk van alle generaties ter stimuleren, zijn niet in de eerste plaats marketingcampagnes nodig; de versterking van het gemeenschapsgevoel via gemeenschapsvormende initiatieven kan wellicht tot een sterkere motivatie leiden om zich te engageren voor anderen. Speelstraten, straatfeesten en buurtinitiatieven zijn goede pogingen in die richting, hoewel vaak niet erg duurzaam omdat ze niet gedragen worden door een echt beleid dat gericht is op de ontwikkeling van een sterke gemeenschap en de sociale inclusie van alle generaties.

 

4.6 Centrale adviespunten in de Kempen

Onderbescherming blijft een belangrijk fenomeen dat erop wijst dat vele ouderen niet aan hun rechten komen. Dat heeft enerzijds te maken met de manier waarop die rechten geformuleerd, gecommuniceerd en toegekend worden. Dat gaat doorgaans gepaard met nogal wat bureaucratie. Anderzijds zijn ouderen, op zichzelf aangewezen, vaak niet in staat om hun rechten te kennen en te begrijpen, laat staan om de nodige stappen te zetten om die dan ook te realiseren. Centrale adviespunten, bijvoorbeeld per gemeente, zijn bijgevolg nodig. Daar moeten ouderen alle informatie geïntegreerd en op een verstaanbare manier kunnen krijgen. Daar moet bovendien coaching beschikbaar zijn zodat ouderen ook effectief krijgen waar ze recht op hebben zodat ze de regie over hun leven zelf in handen kunnen houden.

 

5 Tot slot

 

5.1 Een instrument

Om te begrijpen wat er in een samenleving gebeurt, is het nodig om de onderstromen die minder zichtbaar zijn in kaart te brengen. Fenomenen als vermarkting en vermaatschappelijking hebben reële gevolgen voor ouderen. Het is daarom nodig dat beleidsmaatregelen kritisch afgewogen worden tegen de achtergrond van dergelijke, alles doordringende, tendensen. Een concreet voorbeeld is de actuele tendens tot privatisering van diensten en infrastructuur (bijvoorbeeld de verkoop van WZC die onder het beheer van een OCMW vallen aan de private sector) en vermarkting in de sociale sector ( de aanbesteding van sociale dienstverlening via tenders).

Vanuit het streven naar een sterke gemeenschap is het daarom nodig dat de langetermijneffecten van dergelijke initiatieven voor de inclusie van ouderen en voor de samenhang van de gemeenschap zelf grondig en vooraf te onderzoeken. Het stap-voor-stap leeftijdsvriendelijk inrichten van een gemeente vraagt diezelfde langetermijnoriëntering.

Om vanuit een helikopterperspectief zowel actuele ontwikkelingen kritisch te onderzoeken als langetermijneffecten te bewaken zijn concrete instrumenten nodig. Een denktank zou die rol kunnen opnemen. Een denktank is een groep van deskundigen die zich in een bepaald onderwerp verdiept en daarover nieuwe ideeën bedenkt om op die manier het maatschappelijk debat en het denkwerk binnen de regio mee te voeden en te oriënteren. Zowel actuele en toekomstige themata als achterliggende maatschappelijke (sociaal, politiek, economisch, cultureel) factoren en ideologieën kunnen aandacht krijgen. Een denktank is samengesteld uit mensen die over een bepaald thema deskundig zijn op basis van levens- of beroepservaring, specifieke geschooldheid of onderzoeksexpertise. Naargelang de thematiek kunnen naast een kerngroep andere relevante deskundigen uitgenodigd worden om mee te werken en denken. Het is steeds noodzakelijk dat de deskundigen onafhankelijk van politiek, sociale, culturele en economische groepen in de samenleving durven en mogen denken in het formuleren van hun standpunten. Een dergelijke kritische benadering is zeker nodig ten aanzien van de zorg-, dienst- en hulpverlening aan ouderen om te bewaken dat de kwaliteit van de zorgverlening door zelfkritische professionals gewaarborgd blijft.

 

5.2 En een hoop

Vanuit de overtuiging dat optimisme een morele plicht is (Karl Popper) zien we de toekomst voor ouder wordende mensen hoopvol tegemoet. Optimisme betekent niet dat het wel zal koelen zonder blazen, dat het dus wel automatisch in orde zal komen. Het is wel een oproep tot engagement. Verandering is mogelijk als ieder op de eigen plaats met de eigen sterktes verantwoordelijkheid opneemt. Ouder worden houdt dan de belofte in van een kwaliteitsvol leven op een waardevolle plaats in de samenleving.

                    “ Wij worden geconfronteerd met een van de grootste kansen in de geschiedenis van de mensheid. We hebben meer tijd om onze dromen na te jagen, om productief te zijn, om met ons gezin samen te zijn. We hoeven alleen maar de uitdaging van de vergrijzing aan te pakken. Als we daarin slagen, kunnen we de kwaliteit van leven verbeteren voor alle leeftijden. Als we dit oplossen, krijgen we een betere samenleving dan ooit tevoren. “ (Laura Carstensen)

 

 

 

 

 

 

Bijlage 1

 

De 10 Essentiele Capabilities (M. Nussbaum)

 

-       leven: in staat zijn om een leven te leiden dat de moeite waard is en met een normale levensduur;

-       lichamelijke gezondheid: in staat zijn een goede gezondheid te hebben, inclusief gezondheid met betrekking tot voortplanting, en in staat zijn gezond voedsel en ene onderdak te verwerven;

-       lichamelijke onschendbaarheid: in staat zijn je vrij te verplaatsen, en vrij te zijn van tegen de persoon gericht geweld, inclusief seksueel en huiselijk geweld; vrijheid tot seksuele bevrediging en voortplanting;

-       zintuiglijke waarneming, verbeeldingskracht en denken: in staat zijn om zintuigen te gebruiken, te fantaseren, te denken en te redeneren op een waarlijk menselijke wijze, die wordt geïnspireerd door onderwijs; vrijheid in religie, literatuur en kunst; vrijheid van meningsuiting;

-       gevoelens: in staat zijn om zich te hechten aan dingen en mensen buiten zichzelf en om je emotioneel te ontwikkelen;

-       praktische rede: in staat zijn een conceptie van het goede te vormen en zich kritisch te bezinnen op het eigen leven;

-       sociale banden: in staat zijn met een voor anderen te leven, andere mensen te erkennen en zich om hen te bekommeren;

-       andere biologische soorten: in staat te leven met zorg voor en in relatie met dieren, planten en de wereld van de natuur;

-       spel: in staat zijn om te lachen, te spelen en te genieten van recreatieve activiteiten; vormgeving van eigen omgeving: daadwerkelijk kunnen participeren in politieke keuzes die je leven sturen en materieel in staat om eigendom te verwerven.

 

Literatuur

Arendt, H. (1993). Was ist Politik? Munchen//Zürich: Piper.

Nussbaum, M. (2012). Mogelijkheden scheppen; Amsterdam: Ambo/Anthos

Carstensen, L. (2009). A long bright future. New York: Public Affairs.

 

REFLECTIES op de ouderenzorg van de toekomst

 

Guido Cuyvers

 

De plaats van ouder wordende mensen in de actuele samenleving is vaak voorwerp van discussie. Media, volksmond en zelfs ook wetenschappelijke geschriften vergroten het probleem van de last die ouderen voor de samenleving zouden betekenen op een eenzijdige manier uit. Zullen de gevolgen van de vergrijzing betaalbaar blijven? Blijft er nog genoeg over voor de volgende generaties? Zijn de huidige ouderen niet de potverteerders die de welvaart van de jongere generaties hypothekeren? Tegelijk zijn vele ouder wordende mensen, de zogenaamde babyboomers, zelf nog niet klaar met het fenomeen oud worden. Alsof ouder worden een kwaal is, wensen velen jongere ouderen vooral jong te blijven en zogenaamd van het leven te genieten. Verwijzingen naar de positieve betekenis van ouder blijven (bijvoorbeeld de wijsheid van de ouderdom, het relativeringsvermogen van ouderen, hun positief gevoelsleven, hun zorg voor kinderen en kleinkinderen) nog te veel onder de radar van het maatschappelijk debat over de vergrijzing. Bezorgdheid is bij alle betrokken de overheersende teneur: bij de jongere generaties over de vraag of zij het nog even goed zullen hebben als de huidige ouderen; bij de ouderen zelf over of zij nog wel een plaats hebben in de samenleving en op welke zorg zij zullen kunnen rekenen. Zorgen over de eigen toekomst in de samenleving en over het welzijn van de eigen groep, zijn zorgen die generaties blijkbaar gemeen hebben. Die onzekerheid bracht een groep ouder wordende mensen samen om te reflecteren over die zorgen en over hun verwachtingen voor de toekomst. Het resultaat van die gedachtewisseling is deze tekst. Hij is niet bedoeld en dus ook niet te lezen als een artikel dat voldoet aan de strenge methodologische eisen. Hij wil zowel sensibiliseren als stimuleren. Daarom bevat hij naast een aantal algemene beschouwingen ook voorstellen over wat er nodig is (in de Kempen) om voor iedereen kansen tot kwaliteitsvol ouder worden te creëren.

De titel van dit stuk verdient nog enige toelichting. Vooreerst begrijpen we zorg erg breed. Het gaat niet enkel om de verzorging bij medische problemen of toenemende fysieke ongemakken. Zorg staat ook voor de bekommernis van ouder wordende mensen om een waardevolle plaats te blijven behouden in de samenleving, om als burger te kunnen participeren en ook om zich in het proces van ouder worden psychisch goed te blijven voelen.

Terugblikkend op de gesprekken ontdekken we doorheen de reflecties een rode draad. De ultieme verwachting van ouder wordende mensen is dat ze verbonden blijven met andere mensen en met de samenleving. Die verbinding in stand houden, en waar nodig stimuleren, lijkt de fundamentele voorwaarde te zijn om de toekomst van het ouder worden veilig te stellen. Hannah Arendt waarschuwde reeds in de jaren zestig voor het risico van de verwoestijning van de samenleving. Daarmee bedoelde ze dat de grond tussen mensen verdorde. Met deze reflecties hoopt de denkgroep handvatten aan te reiken om de grond tussen mensen, ouderen en jongeren, vruchtbaar te houden. De reflecties zijn geordend in drie thema’s, die in figuur 1 in een beeld worden neergezet. Dat zijn 1) het bouwen aan een sterke gemeenschap 2) waarin de kwaliteit van leven gewaarborgd blijft en 3) dat met respect voor de eigen kracht van ouder wordende mensen.

Deze reflecties wellen op vanuit een welbepaalde visie op mens en samenleving. Die visie staat haaks op wat vandaag in het beleid de onuitgesproken ondertoon is, namelijk een sterk neoliberale benadering die de individuele vrijheid van wie zijn best doet als hoogste goed vooropstelt en die gemeenschap en beleid daaraan ondergeschikt maakt. Het eigenbelang van individuen en ook dat van groepen, zoals ouderen, is daarbij vaak de drijfveer. Daar staat dan een communitaristische visie op samenleven en ouder worden tegenover. Die vertrekt van de uitdaging hoe mensen samen een sterke gemeenschap kunnen uitbouwen op basis van de sterktes van iedereen (asset-based community). In dergelijke gemeenschap spelen alle geledingen, ook de ouder wordende mensen, een essentiële rol. Ook kunnen de sterktes (ervaring, competenties, wijsheid, enz.) van ouder wordende mensen daarin tot hun recht komen. Uiteraard moet die gemeenschap ook kunnen rekenen op het engagement van ouderen. Ouderen zijn dan niet in de eerste plaats een belasting voor de andere generaties, maart vormen een van de noodzakelijke pijlers van zo’n samenleving. Die sterke gemeenschap is de basis is voor de ontwikkeling van iedereen met bijzondere aandacht voor de kwetsbare mensen. Het welzijn wordt dan een opdracht van iedereen en niet enkel van overheden en instellingen. Loyauteit aan die samenleving en verbinding van mensen zijn daartoe noodzakelijk.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Figuur: Bouwstenen voor de toekomstige ouderenzorg

 

 

 

 

1 Een sterke gemeenschap

Kwaliteitsvol ouder worden moet zich afspelen in een sterke. Een gemeenschap omschrijven we hier als “een groep mensen die in een bepaalde lokaliteit samenleeft wat hen toelaat hun basisbehoeften te realiseren en wat kansen creëert tot verbinding tussen de leden van die gemeenschap”. Een leefbare gemeenschap zal bijgevolg eerder beperkt in omvang zijn: bijvoorbeeld een dorp, een wijk of een gehucht in een gemeenste of stad. Het gaat dus niet over macro-vormen van gemeenschap zoals de Vlaamse Gemeenschap of de Europese Gemeenschap. Dergelijke gemeenschap kenmerkt zich door minstens volgende eigenschappen: relaties tussen mensen staan er centraal; overheden geloven in de kracht van (ook ouder wordende) mensen en geven hen een stuk controle over hoe die gemeenschap georganiseerd wordt; de sterktes van de mensen krijgen in die gemeenschap alle kansen; alle geledingen, ook alle generaties, in de gemeenschap worden betrokken bij de ontwikkeling van dergelijke gemeenschap. De realisatie van een sterke gemeenschap gebeurt niet top-down, maar is een verantwoordelijkheid van velen: generaties, hulp- en zorgverleners, middenveld en beleidsmensen.

1.1 Overheid

De eerste verantwoordelijke voor een sterke gemeenschap is de overheid. We beschouwen drie luiken in die verantwoordelijkheid: infrastructuur, sterktes benutten, burgerparticipatie.

                    Mensen verbinden vraagt om ruimte waar mensen kunnen samen komen. Het is uiteraard in de eerste plaats de overheid die moet bewaken, liefst in samenwerking met het middenveld, dat er infrastructuur beschikbaar is die relaties tussen en ontmoeting van mensen mogelijk maakt. Mensen en verenigingen beschikken in een sterke gemeenschap over lokalen om samen te komen en er activiteiten te ontwikkelen. Dat kan soms betekenen dat er infrastructuur moet gebouwd of herbouwd worden wanneer ze er nog niet is. Het kan ook betekenen dat de overheid privaat uitgebate infrastructuur zoals parochiezalen en volkshuizen of leegstaande ruimtes overneemt, wanneer de beherende besturen moeilijkheden hebben om die lokalen materieel in stand te houden. In het kader van de kerkenplannen kan het ook betekenen dat gebouwen die aanvankelijk voor de kerkdiensten bedoeld waren, een nieuwe functie krijgen als gemeenschapscentrum. Voor ouderen is het essentieel dat de infrastructuur voor hen goed bereikbaar is; de ligging in het centrum, de beschikbaarheid van transport en de betaalbaarheid van de huur voor lokalen zijn daarbij belangrijke elementen.

                    Naast het creëren van ruimte voor ontmoeting, is er ook de verantwoordelijkheid voor de inplanting van infrastructuur voor zorgbehoevende ouderen. Bij de bouw van woon- en zorgcentra kunnen bijvoorbeeld mogelijkheden voorzien worden zodat de gemeenschap in die infrastructuur ook kan samenkomen en de ouderen de facto niet in een getto belanden. Goede infrastructuur kan verbindend werken op voorwaarde dat ze geïntegreerd ligt in de gemeenschap.

                    Het niveau van individuele infrastructuur overstijgend, is de lokale overheid ook verantwoordelijk voor de creatie van woonzorgzones, een urbanistische ingreep die gemeenschaps- en inclusie bevorderend is. Naar Scandinavisch concept is een woonzorgzone een samenhangend geheel van woon-, zorg- en welzijnsvoorzieningen in een wijk. Samenwerkingspartners stemmen de voorzieningen op elkaar af en wijkbewoners maken naar behoefte gebruik van de voorzieningen. Het resultaat moet zijn een woon- en leefomgeving waar het veilig en prettig leven is voor alle bewoners met of zonder zorg. En waar de noodzakelijke ondersteuning met zorg- en welzijnsdiensten om de hoek te regelen is.” (Bron: www.woonservicezone-utrecht.nl).

                    Een tweede luik in de verantwoordelijkheid van de overheid is dat ze initiatieven neemt of ondersteunt die mensen stimuleren om samen te komen en die de sterktes van mensen benut en kansen geeft. Daartoe is bijvoorbeeld nodig dat die sterktes in kaart gebracht worden, dat mensen aangesproken worden om hun sterktes in te zetten, bijvoorbeeld in vrijwilligerswerk. Momenteel blijven vele talenten en ervaringen van ouder wordende mensen onderbenut.

                    Een derde luik gaat over het samen vorm geven aan het beleid. Van beleidsmensen kan in deze tijd verwacht worden dat ze in staat en bereid zijn om op een nieuwe manier over democratie te denken. Dat kan wanneer ze een machtslogica (we zijn verkozen en dus hebben wij het voor het zeggen) inruilen voor een samenwerkingslogica (burgers hebben een stem in het kapittel bij belangrijke initiatieven). De initiatieven om tot een ‘deep democracy’ te komen verdienen hier aandacht: het gaat erom dat men de verschillen in visie bewust gebruikt om tot betere beslissingen te komen. Burgerparticipatie is vooralsnog niet het leidende motto van vele beleidsvoerders. Ze beperken zich nog te vaak tot een traditionele vorm van inspraak. Die staat ten dienste van beslissingen die vaak al genomen zijn. Echte participatie gaat over burgers reële kansen geven om invloed uitoefenen op het tot stand komen en de realisatie van beleid. Het gaat over processen van communicatie, van dialoog, van conflict waarbij burgers, burgerorganisaties, ambtenaren, experten en politici elkaar beïnvloeden, zo aan meningen, houdingen en gedrag bouwen en uiteindelijk tot beslissingen komen. In het beleidsplan van de Vlaamse Ouderenraad is de participatie van ouder wordende mensen aan het beleid als een belangrijke doelstelling opgenomen. Als vorm van echte democratie vraagt dat zowel aan de kant van de ouderen als bij beleidsmensen betrokkenheid en de bereidheid om verantwoordelijkheid te delen.

 

1.2 De ouderen zelf

De tweede groep die een rol te spelen heeft in het bouwen aan een sterke gemeenschap zijn de ouderen zelf. We willen daarbij eerst het onderscheid maken tussen mee mogen – mee willen – mee kunnen. Het is niet vanzelfsprekend dat ouderen betrokken worden bij de ontwikkeling van een sterke gemeenschap. Vormen van sociale exclusie en van leeftijdsdiscriminatie maken dat ouderen niet ten volle aan de gemeenschap kunnen participeren. De problematiek van de vereenzaming van grote aantallen ouderen is bekend. Uiteraard moeten ouderen zelf gemotiveerd zijn om een rol te spelen. In vergelijking met omringende landen scoort België zwak op de inzet van ouderen in het vrijwilligers werk (amper 16 % van de zestigplussers doet aan vrijwilligerswerk tegenover bv 46 % in Nederland). Wel goed scoort de mantelzorg en de opvang van (klein)kinderen. Ten slotte is het nodig dat ouderen ook nog kunnen participeren op basis van een voldoende lichamelijke en geestelijke gezondheid. Het is duidelijk dat het engagement van ouder wordende mensen meer stimulatie behoeft, zeker nu grote groepen baby boomers de arbeidsmarkt verlaten en beschikbaar kunnen zijn voor maatschappelijk engagement in allerlei vormen.

                    Tegelijk kan men van ouderen verwachten dat ze hun kapitaal delen. We maken daarbij uiteraard een onderscheid tussen het economisch, het sociaal en het psychologisch kapitaal. Er gebeurt op dat vlak al heel veel: ouders die hun kinderen materiaal en financieel steunen wanneer ze willen bouwen, het uitwisselen van ervaringen. Het is evenwel nog onvoldoende tot het grote publiek doorgedrongen welke bijdrage ouderen leveren. Daarom blijven stereotype clichés steeds weer de media te halen zoals ouderen die het geld van de volgende generaties opmaken, ouderen als profiteurs.

1.3 Andere generaties

Vervolgens is er de rol van de andere generaties. De plaats die ouderen in een gemeenschap krijgen en de stereotypen die gehanteerd worden, hangen mede af van de wijze waarop de jongere generaties ouderen percipiëren en behandelen. Vaak speelt hier het simpele principe: ‘onbekend is onbemind’. Daarom zijn initiatieven voor intergenerationele ontmoeting van groot belang. In die ontmoeting kan men elkaars kwaliteiten leren ontdekken en waarderen. Het slaan van bruggen tussen generaties kan uiteraard vanuit lokale verenigingen zelf vertrekken, wat overigens maar matig gebeurt. Daarom moeten intergenerationele initiatieven ook gestimuleerd worden door overkoepelende organisaties.

1.4 Een stok in de wielen: Ageisme

Een laatste factor die we hier kort vermelden is de beeldvorming over ouder worden. Op dit vlak blijven negatieve stereotypen bestaan (ageisme), weliswaar soms wat getemperd door positieve stereotypen. Nochtans is het hanteren van stereotypen problematisch als ouderen zich bij het stereotype beeld neerleggen, zich ermee identificeren en zich vervolgens gaan gedragen volgens de stereotypen. Op die manier ontstaat een zichzelf verwerkelijkende voorspelling. Vanuit een waarderend perspectief is het noodzakelijk dat het stereotype beeld van de ouderen als probleem of als kwetsbaar gecorrigeerd wordt en minstens aangevuld, maar liever ingeruild wordt met het perspectief van ouder worden als nieuwe kans.

 

2 Kwaliteit van leven

In een sterke gemeenschap moeten de voorwaarden aanwezig zijn voor kwaliteitsvol ouder worden. Dan volgt natuurlijk de vraag wat het goede, kwaliteitsvolle leven dan wel zou kunnen zijn. De Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum beschreef een aantal criteria (capabilities)  die in een samenleving op een minimaal niveau aanwezig moeten zijn om van ‘een goed leven’ te kunnen spreken. Gemeenschappen moeten volgens haar kansen creëren tot individuele ontwikkeling; uiteraard moet de persoon dan ook nog die kansen willen aangrijpen. Deze lijst met capabilities is ook te gebruiken als een reeks criteria om te bepalen of een gemeenschap voldoende mogelijkheden biedt om kwaliteitsvol ouder te worden. De 10 essentiële capabilities beschrijven we kort in Bijlage 1. Voor de Vlaamse ouderenraad betekent kwaliteitsvol leven dat ouderen ‘de regie over het eigen leven in handen kunnen houden en dat zij van hun competenties gebruik kunnen maken om ouder te worden op een manier die het sociaal, mentaal en fysiek welzijn en de volwaardige participatie aan de samenleving bevordert’. Drie voorwaarden daartoe willen we kort toelichten, namelijk kansen tot levenslange ontwikkeling, het recht op goede zorg en de mogelijkheid om coaching te ontvangen.

 

2.1 Levenslange ontwikkeling

Zich levenslang kunnen ontwikkelen is voor ouder wordende mensen de koninklijke weg om kwaliteitsvol ouder te worden. Dat kan door steeds nieuwe ervaringen op te doen, en vooral door vorming en participatie aan cultuur. Levenslang leren is meer dan louter het verwerven van kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn voor het deelnemen aan de arbeidsmarkt. Het draait om het versterken van mensen in hun persoonlijke ontplooiing, geletterdheid, zelfredzaamheid, sociale inclusie en maatschappelijke participatie (arbeid, vrijwilligerswerk, vrijetijdsparticipatie, …). Een leven lang leren heeft onmiskenbaar een positief effect op de gezondheid, het welzijn en het sociaal contact van ouderen. Naast het formeel onderwijs kunnen sociaal-culturele (ouderen)verenigingen en de lokale dienstencentra hier een belangrijke rol spelen. Ouderen geven veelal de voorkeur aan leren als een sociaal gebeuren, waarbij belang gehecht wordt aan leren met en van andere ouderen. Aandacht voor gepaste leeromgevingen, het sociale aspect van deelname aan het leren en de mogelijke rol/meerwaarde van oudere vrijwilligers als begeleiders bij het leren van ouderen is dan ook aangewezen.

                    In Vlaanderen nemen ouderen momenteel onvoldoende deel aan onderwijs en andere vormen van levenslang leren. Vlaanderen loopt hier wat achter op de buurlanden, wat al tot opmerkingen van de Europese Commissie heeft geleid. Dit zowel omwille van een aanbod dat niet altijd aangepast is aan hun noden, als door diverse barrières die de kloof tot levenslang leren vergroten. (aanbod, financies, bereikbaarheid, mobiliteit, taal, enz.). Een bijzonder kwetsbare groep in dit verband zijn ouderen met een zorgnood. Zij blijken het moeilijkst bereikbaar te zijn.

2.2 Coaching

Naast ontwikkeling is de beschikbaarheid van coaching wanneer mensen belangrijke beslissingen moeten nemen, een element van een sterke gemeenschap. Veel domeinen van het leven ( zoals aangepast wonen, het beheer van de financiële middelen, het gebruik van assistieve technologieën die de onafhankelijkheid moeten ondersteunen, het uitoefenen van rechten en het kunnen genieten van rechtsbescherming) vereisen specifieke deskundigheid om goede beslissingen te kunnen nemen. Ouder wordende mensen hebben die deskundigheid doorgaans niet of onvoldoende (wegens gebrek aan kennis, vaardigheden en ervaringen op specifieke terreinen). Daarom hebben ze behoefte aan neutraal advies dat hen ondersteunt om te komen tot goede beslissingen. Advies wordt momenteel doorgaans vooral aangereikt door private, commerciële instellingen; het probleem is dat dat soort van adviezen uiteindelijk de objectieven van de commerciële instelling moeten dienen en bijgevolg niet vertrekken bij het belang van de ouderen of er zelfs haaks op staan. Bijgevolg is er een vorm van coaching nodig die op maat en in het belang van de oudere mogelijkheden op een rij zet, voor- en nadelen bespreekt en op die manier een zelfstandige en verantwoorde keuze toelaat.

2.3 Het recht op goede zorg

Uiteraard kan ouder worden ook gepaard gaan met zorgnoden. Een professionele en kwaliteitsvolle hulpverlening is daarom van groot belang. Het is hier niet de plaats om in te gaan op wat die hulp dan moet zijn. Wel willen we een kanttekening plaatsen bij de hulpverleners. Loutere professionele deskundigheid volstaat daarbij niet. Van hulpverleners mag verwacht worden dat ze kritische partners van de ouderen zijn. Dat houdt in dat ze niet zonder meer technische uitvoerders zijn, maar dat ze zowel de hulpverlening als de context waarin die plaats vindt kritisch blijven bevragen met het oog op de waarborgen van de fundamentele rechten van ouderen en op de criteria waaraan kwaliteitsvolle hulpverlening moet voldoen. Voor vele ouderen geldt bovendien dat het recht zelf op zorg niet altijd gewaarborgd is. Dat is het probleem van de onderbescherming: door onder meer ingewikkelde procedures en bureaucratische beslommeringen zijn ouderen vaak niet op de hoogte van de rechten die voor hen beschikbaar zijn. Voor zover de zorg binnen de context van de familie aangeboden wordt, moet overigens ook bewaakt worden dat de informele ondersteuners zelf niet sociaal geïsoleerd geraken.

 

3 Met eigen kracht

Ouder worden is vaak eenzijdig getypeerd als een proces van toenemende kwetsbaarheid. Door de mogelijk problematische kant van het ouder worden als enig kenmerk te benadrukken, komen de sterktes en de kwaliteiten eigen aan het ouder worden (zoals wijsheid) nauwelijks of minstens onvoldoende in beeld. Dat heeft gevolgen voor de manier waarop mensen hun ouder worden beleven en voor de wijze waarop andere generaties ouderen benaderen.

                    De benadering vanuit het perspectief van de eigen krachten van ouderen biedt nieuwe mogelijkheden. Vooreerst komt het de regie in eigen handen houden als een realistisch perspectief naar voor. Het perspectief van de kwetsbaarheid daarentegen roept te snel het beeld op van tekorten, onvermogen en verlies; dat ontneemt ouderen vaak de energie om de regie over het eigen leven zelf in handen te houden. Het krachtenperspectief is de voedingsbodem voor een positief zelfwaardegevoel. Een gemeenschap kan dat zelfwaardegevoel ondersteunen door ouderen de mogelijkheid te bieden om sociaal gewaardeerde rollen op te blijven nemen; momenteel dwingen leeftijd barrières ouderen te vaak om uit dergelijke rollen te stappen.

                    Een krachtenbenadering hoeft geen ontkenning in te houden van kwetsbaarheid. Het probleem met kwetsbaarheid is dat het vaak als een kenmerk van alleen maar ouder wordende mensen wordt gezien, terwijl mensen op elke leeftijd kwetsbaar kunnen zijn, (denk maar aan volwassenen die met een druk beroeps het risico lopen op burn-out). Bovendien leidt een enge benadering van kwetsbaarheid ertoe dat men naast de kwetsbare kanten niet meer de mogelijkheden en de sterke kanten ziet en de betreffende ouderen beperkt in het functioneren op domeinen waar ze wel krachtig in zijn. De benadrukking van de kwetsbaarheid leidt vaak tot een vorm van sociale uitsluiting bijvoorbeeld in de vorm van betutteling of bemoedering. Onder het wellicht goed bedoeld mom van bescherming tegen mogelijke problemen, worden ouderen dan weggehouden van kansen tot sociaal contact en stimulerende of gewoon maar leuke activiteiten. Ten slotte is er nauwelijks aandacht voor de meerwaarde van kwetsbaarheid en voor wat kwetsbare mensen de samenleving kunnen bijbrengen.

 

4 Een uitdaging voor de Kempen

Op basis van de drie geschetste krachtlijnen voor de toekomst kunnen een aantal voorstellen gesuggereerd worden die kwaliteitsvol ouder worden in een sterke gemeenschap mogelijk maken en bevorderen. Ze zijn bedoeld voor beleidsmakers die op een of andere manier verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van het ouder worden in de Kempen. De uitdaging bestaat er in om van de Kempen de meest ouderdomsvriendelijke regio in Vlaanderen te maken. De Kempen, waar het goed ouder worden is.

 

4.1 Inclusief wonen

Zich thuis voelen in een sociaal veilige omgeving met een kwaliteitsvolle infrastructuur is voor alle ouder wordende mensen een centrale behoefte, trouwens ook een van de essentiële capabilities in de visie van Nussbaum. De eerste verantwoordelijkheid daarvoor op lokaal en regionaal vlak ligt uiteraard bij de overheid. Zij kan de inplanting van infrastructuur met het oog op de

Inhoud