Your browser version is outdated. We recommend that you update your browser to the latest version.

Policy paper

 

De zorg voor ouderen met een andere herkomst als uitdaging en kans voor de hele gemeenschap

 

Guido Cuyvers

 

Ouderen met een migratieverleden vormen een groeiende groep met zowel leeftijdsspecifieke als cultuurgebonden behoeften. Daarop weten het beleid en de zorgsector tot nog toe maar met mondjesmaat te antwoorden. Saloua Berdai gaat daarom op zoek naar factoren die een afstemming van zorg en aanbod al dan niet bevorderen. Vervolgens formuleert zij een aantal maatregelen om aanbod en zorgvraag op elkaar af te stemmen. Daarbij is de inbrengt van vele partijen noodzakelijk.

1 Wederzijdse onbekendheid

De belangrijkste factor blijft volgens de auteur na vele jaren nog altijd de wederzijdse onbekendheid van ouderen en de zorgaanbieders, van allochtone en autochtone mensen in het algemeen. Van de kant van de ouderen met een andere herkomst heeft die onbekendheid vooreerst te maken met een gebrek aan ervaring met veroudering omdat zij vaak de eerste generatie vormen, de pioniers dus, die in een vreemd land oud worden. Noch de ouderen zelf, noch hun omgeving hebben goede voorbeelden van eigen ouder wordende mensen. Vervolgens beschikken deze ouderen zelden over adequate informatie over bestaande mogelijkheden tot ondersteuning. Daar komt nog eens bij dat er vooroordelen bestaan, zowel aan de kant van de ouderen als aan de kant van de zorgverleners, die een juiste perceptie en gebruik van het bestaande zorgaanbod belemmeren. Een adequate informatievoorziening aan de ouderen met een andere herkomst is pas effectief, zoals uit de enkele goede praktijken  blijkt, op voorwaarde dat die informatie overzichtelijk is en met geschikte methodieken wordt aangebracht. Het moet immers een actief proces zijn waarin ouderen zelf een rol spelen en tegelijk ook versterkt worden in hun verouderingsproces: stilstaan bij de betekenis van ouder worden, formuleren van hun noden, keuzes maken welke weg ze uitkiezen, leren kennen van het aanbod en de mogelijkheden. Bovendien moet het proces van informatievoorziening gekoppeld worden aan samenwerking van de zorgsector met de integratiesector, met sleutelfiguren en met de ouderen zelf.

2 Een achterhaalde visie op veroudering

Overigens blijkt de samenleving als geheel, beleidsmakers incluis, doorgaans nog een achterhaalde en eenzijdige visie op oud worden en op de plaats van zorgbehoevendheid te hanteren. Dat leidt uiteindelijk tot het risico van de sociale uitsluiting van ouderen en van zorgbehoevende ouderen met een andere herkomst in het bijzonder. Deze vaststellingen nopen de auteur ertoe te stellen dat een adequaat antwoord op de toenemende vergrijzing een gedeelde verantwoordelijkheid  is van alle groepen en geledingen in de samenleving . Dat reikt dus veel verder dan de relatie tussen zorgbehoevende ouderen en de zorgaanbieders.

Waar de auteur zich vooral bezig houdt met de wederzijdse onbekendheid op het vlak van zorgbehoevendheid en zorgaanbod, willen we de analyse nog een stap verder brengen. De samenleving als geheel, burgers en beleidsmakers, alle leeftijdsgroepen en  zowel allochtone als autochtone mensen, hebben  nood aan een paradigmashift in het denken over oud worden. Vanuit een deficitdenken  wordt te eenzijdig het zorgaspect benadrukt, wordt oud worden herleid tot zorgbehoevendheid, wat typerend is voor.  De dimensie van de krachten en mogelijkheden die oud wordende mensen, ook zorgbehoevende mensen, ook steeds hebben krijgt nauwelijks aandacht. Tegenover die dualistische benadering  van vitaal versus zorgbehoevend, hebben we behoefte aan een holistische benadering waarin ouder worden, krachten en zorgbehoevendheid samen een plaats hebben. Datgene wat de focus krijgt, wordt immers werkelijkheid. Indien het problematische karakter van oud worden in de focus ligt, krijgen vooral de problemen aandacht en verdwijnen de positieve mogelijkheden uit het vizier en gaan ouderen zich gedragen naar de clichés. Ouderen hebben daarentegen ook een belangrijke bijdrage te leveren aan de samenleving.  Door alleen maar te focussen op de zorg en de zorgbehoevendheid, krijgen initiatieven van ontwikkeling en activering te weinig aandacht en ondersteuning.

Voor de auteur is het belangrijk dat de ouderen zelf kunnen kiezen. Hoe ouderen naar eigen veroudering kijken geeft volgens haar mee betekenis aan activering. Hoe zij hun krachten inzetten zal ieder van hen op een eigen manier, ook  cultuurspecifiek  invullen.

  

3 Relationele praktijken

Om tot een nieuw denken over oud worden te komen, hebben alle  maatschappelijke actoren, middenveldorganisaties, onderwijs en overheid samen een rol te spelen. Vooreerst door een  krachtengerichte benadering van oud worden te ontwikkelen en via goede praktijken te promoten. Informeren alleen volstaat  daarbij evenwel niet. Ervaringen aanbieden en confronteren is minstens even belangrijk. Het is aan onderwijs en middenveldorganisaties om ook generatieoverstijgend te werken zodat jongeren en volwassen vanuit hun ontmoeting met ouderen een genuanceerder beeld ontwikkelen van ouderen. Er zijn daarom relationele praktijken nodig waarin diverse partijen samen initiatieven ontwikkelen die de sociale inclusie van ouderen, zowel van vitale als zorgbehoevende ouderen bevorderen. Kwaliteitsvolle relationele praktijken zijn  die vormen van samenwerking waarin partners, met respect voor elkaars eigenheid, samen iets nieuws creëren. Een constructieve communicatie is daarbij een belangrijke voorwaarde. Daarin staat naast informatie vooral dialoog centraal. Ouderen zijn daarin niet enkel de passieve ontvangers van zorg en aandacht, maar ook partners met een gedeelde verantwoordelijkheid voor de andere generaties. De overheid kan dat proces ondersteunen  door publieke ruimten als intergenerationele en interculturele ontmoetingsplaatsen open te stellen. Verder kan de overheid  initiatiefnemers van intergenerationele ontmoetingen materieel  ondersteunen en kan ze  in haar subsidiëringbeleid  intergenerationele samenwerking als stimulerende voorwaarde  in bouwen.

4 Continuïteit

Een van de vaststellingen, ook in andere landen, is dat er al heel wat initiatieven genomen worden om ouderen met een andere herkomst de aandacht en ondersteuning te geven die ze nodig hebben. Helaas ontbreekt vaak continuïteit, duurzaamheid en samenhang. Organisaties werken vaak naast elkaar, veel minder met elkaar. Bovendien worden te vaak initiatieven voor ouderen mensen genomen en niet samen met de betrokkenen, doorgaans vanuit een gebrek aan besef van de krachten van de ouderen zelf. Losse initiatieven, hoe waardevol op zich ook, zijn nog geen beleid. Het is zeker de rol van de  overheid om experimenten en innovatie mogelijk te maken en te stimuleren. Idealiter koppelt ze subsidiering aan de voorwaarde dat het moet gaan om relationele praktijken waarin diverse partners samen werken. Ze moet vervolgens goede praktijken dissemineren en verankeren door er verduurzamende maatregelen aan te koppelen.

5 Het middenveld

Op het niveau van het maatschappelijke middenveld blijkt er behoefte te bestaan aan specifieke organisaties voor ouderen met een andere herkomst.  Volgens de auteur hebben deze ouderen als groep in de bestaande zelforganisaties immers geen eigenheid en daardoor nog te weinig een stem. Toch vindt de auteur dat het zich organiseren als ouderen niet prioritair is op dit moment. Het moet volgens haar een lange termijn doel zijn, waarvan de realisatie veel tijd zal vragen omdat zich organiseren nieuw is voor deze groep. Belangrijk is daarbij dat de ouderen met een andere herkomst ook hier hun eigen proces kunnen  doormaken en eigen invulling kunnen geven aan dergelijke organisaties.

We willen daar zelf aan toevoegen dat dergelijke organisaties een  drieledige rol kunnen hebben namelijk van bonding, bridging en linking. Vooreerst moeten ze de ouderen zelf samenbrengen zodat die een forum hebben waar ze met hun vragen, behoeften en verzuchtingen terecht kunnen. Vervolgens  moeten dergelijke organisaties bruggen slaan naar andere organisaties zodat samenwerking en gecoördineerde acties mogelijk worden. Tenslotte is het hun taak om de link te leggen met de overheid door als bemiddelaar of lobbyist te fungeren voor de noden van deze ouderen bij de overheid.

Organisaties voor ouderen met een andere herkomst moeten volgens de auteur, ondersteund door een netwerk van vrijwilligers, een belangrijke rol spelen in het verduidelijken van het zorgaanbod in de samenleving en in het verhelderen van de zorgvraag van ouderen. Daardoor kunnen deze ouderen gemakkelijker  aansluiting vinden bij het bestaande aanbod. De auteur benadrukt dat dergelijke organisaties een rol als partner van zorginstellingen moeten opnemen. Ze kunnen zo enerzijds de verwachtingen van ouderen met een andere herkomst helpen verduidelijken en anderzijds de zorginstellingen helpen bij het vinden van cultuurspecifieke oplossingen wanneer algemene maatregelen onvoldoende blijken te zijn.

Idealiter wordt het initiatief voor dergelijke organisaties door de mensen met een andere herkomst zelf genomen. Professionele welzijns- en sociaal culturele werkers met een allochtone achtergrond  of met een specifieke ervaring met of deskundigheid in verband met diversiteitsvraagstukken kunnen daarin volgens ons een verbindende rol spelen, evenwel zonder betuttelend te worden. Ze kunnen bijvoorbeeld bemiddelen tussen de ouderen met een andere herkomst en de Vlaamse organisaties die al heel wat ervaring hebben met de drie rollen van bonding, bridging en linking. Uiteraard hebben ook de lokale overheden een rol te spelen. Ze moeten vooreerst zowel oor en oog te hebben voor wat er leeft bij mensen met een andere herkomst. Daarnaast kunnen ze zelf in hun beleid gemeenschapsbevorderende maatregelen opnemen of dergelijke initiatieven ondersteunen. Ook lokale diversiteitambtenaren en seniorenraden hebben hier een verantwoordelijkheid.

Overigens stelt de auteur zelf dat de rol van zelforganisaties in het vergrijzingsthema momenteel (nog) niet dominant kan zijn: deze organisaties zijn immers zelf nog zoekend rond dit thema en voor sommige zelforganisaties is het zelfs geen thema omdat ze, vaak overvraagd, vooral met andere thema's bezig zijn zoals onderwijs en tewerkstelling. Wil men deze organisaties op het vlak van vergrijzing een belangrijkere rol laten spelen dan hebben zij daarvoor zij ondersteuning en (financiële) erkenning nodig.

 

6  De zorginstellingen

De zorginstellingen in partnerschap met allochtone organisaties, kunnen maar aantrekkelijk worden voor ouderen met een andere herkomst indien ze meer doen dan losse initiatieven nemen. De auteur betoogt dat het noodzakelijk is dat ze zowel op het vlak van management, personeel, aanbod en cliëntenzorg een beleid ontwikkelen dat een duurzame benadering mogelijk maakt. Zorginstellingen kunnen elkaar, eventueel via de bemiddeling en ondersteuning van de overheid, ondersteunen door hun ervaringen en goede praktijken uit te wisselen. Uiteraard is het ook nodig experts, de ouderen zelf en hun omgeving in het overleg te betrokken. We willen daar aan toevoegen dat de overheid tegelijk de samenwerking tussen zorginstellingen aanmoedigen via stimulerende maatregelen. Een belangrijke opdracht voor de zorginstellingen is volgens de auteur vervolgens om hun toegankelijkheid voor allochtone ouderen te verbeteren, ondermeer via goede informatie, een intercultureel beleid en een combinatie van cultuurspecifieke en algemene acties zodat de basisbehoeften van allochtone en autochtone ouderen voldoende aan bod komen. Zij stelt ook dat ouderen, ouderen met een andere herkomst wellicht nog meer dan andere ouderen, behoefte blijken te hebben aan het gevoel welkom te zijn in een zorginstelling. Ze vrezen bijvoorbeeld dat ze vanuit hun economische moeilijkere positie minder kwaliteitsvolle zorg zullen krijgen. Wanneer de uitstraling van de zorg te Vlaams en te klinisch is, zodat de ouderen met een andere herkomst er zich niet in herkennen, kan dat leiden tot het gevoel vreemdheid en niet welkom te zijn. Een leefwereldgevoelige benadering van alle ouderen is daarom erg belangrijk. In het onderzoeken hoe dat vorm kan krijgen is de samenwerking met allochtone zelforganisaties onontbeerlijk.

 

7 Besturen

Omdat een goede afstemming van zorgvraag en aanbod niet in het luchtledige plaats vindt, maar altijd in een maatschappelijke context, is het nodig dat lokale en regionale besturen hun rol spelen. De lokale zorgsector moet volgens Berdai gevoelig gemaakt worden voor de specifieke vragen en nodigen van allochtone ouderen en voor de overeenkomsten in de behoeften van zowel allochtone als autochtone ouderen. De besturen kunnen ook een coördinerende rol spelen om uiteindelijk tot duurzame maatregelen en een samenhangend beleid te komen. We weten vanuit eigen en buitenlandse ervaringen  dat veel goedbedoelde, losse initiatieven zijn immers een kort leven beschoren indien ze geen plaats krijgen in een op duurzaamheid gericht zorgbeleid. Daarom willen we benadrukken  dat het thema van de vergrijzing van ouderen met een andere herkomst niet het exclusieve probleem is van ouderen zelf, maar van heel de gemeenschap en van alle generaties. Daartoe is een beleid dat intergenerationele solidariteit steunt essentieel. Die moet ervoor zorgen dat ook ouderen met een andere herkomst een actieve rol opnemen in hun gemeenschap.

8 Besluit

Om ervoor te zorgen dat ouderen met een andere herkomst ook onze ouderen zijn, staat niet alleen de zorgsector maar heel samenleving voor een grote uitdaging. Saloua Berdai behandelt in  haar werk hiervan een aantal aspecten. Een adequate informatievoorziening is daarvan slechts een, zij het een belangrijk, aspect. Het effectief afstemmen van zorgvraag en zorgaanbod is eveneens van groot belang. Zelf willen we daar nog aan toevoegen dat daarnaast een verbindende, op de positieve mogelijkheden van ouderen gerichte benadering essentieel is. Die moet garanderen dat heel de samenleving een verruimde visie ontwikkelt op ouder worden, dat ouderen, ook met hun zorgbehoevendheid,  gestimuleerd en gecoacht worden om als actieve burgers aan de samenleving te blijven participeren.

Vanuit de vaststelling dat ouderen met een andere herkomst veel gemeenschappelijk hebben met Vlaamse ouderen uit de lagere sociale klassen, stelt de auteur dat het belangrijk is dat groeperingen van ouderen veel meer oog leren hebben voor wat gemeenschappelijk is dan voor wat hen scheidt, uiteraard zonder cultuurspecifieke elementen te verwaarlozen.